Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 


Disfunctioneren

Onderzoek van De Raadgevers Bedrijfsjuristen, uitgevoerd door TNS NIPO onder meer dan 500 ondernemers in het mkb, wijst uit dat de belangrijkste reden voor ontslag in deze sector het disfunctioneren van een medewerker is.

Driekwart van de ondervraagde ondernemers met twee tot honderd werknemers gaf aan wel eens iemand te hebben ontslagen. Uit het onderzoek is gebleken dat in meer dan de helft van deze gevallen van ontslag, disfunctioneren ten grondslag lag aan de beslissing.  Andere genoemde  redenen voor ontslag zijn conflicten, werktekort of reorganisatie. Tekort aan werk is met name in de industrie en bouwnijverheid een belangrijke reden voor ontslag. 

De afgelopen jaren is het aantal ontslagen door de economische crisis fors toegenomen. 32% van de ondernemers geeft aan in 2009 een of meer mensen te hebben ontslagen. Wat het huidige jaar zal brengen is voorlopig onzeker, maar waarschijnlijk een verbetering ten opzichte van het voorgaande jaar. 

Heeft u met betrekking tot disfunctioneren vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mail ons.

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 


Ontucht 

In onderstaand vonnis van de kantonrechter te Bergen op Zoom wordt het verzoek van de scholengemeenschap die de arbeidsovereenkomst met een wegens ontucht veroordeelde leraar wil ontbinden niet toegewezen. De motivatie van de rechter komt erop neer dat de ontucht niet op de huidige werkplek van de leraar heeft plaatsgevonden, maar op de school waar hij vroeger werkte. Op de school waarmee de leraar nu een dienstbetrekking heeft is nimmer geklaagd over de leraar en ouders hebben volledig vertrouwen in hem. Daarom vindt de rechter dat de arbeidsovereenkomst niet ontbonden kan worden wegens het feit dat de leraar voor een eerder feit veroordeeld is.

Dit is een opmerkelijke uitspraak omdat een veroordeling wegens ontucht in de meeste gevallen wel tot inwilliging van het verzoek tot ontbinding zal leiden.  

 

Heeft u met betrekking tot ontucht vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslag specialisten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mail ons.

 

 

 

Uitspraak

 

RECHTBANK BREDA
team kanton Bergen op Zoom
zaak/rolnr.: 595483 AZ VERZ 10-97
beschikking d.d. 2 juni 2010
inzake
de stichting Stichting voor Katholiek Onderwijs St. Liduina,
gevestigd te Schiedam,
verzoekende partij, hierna te noemen ‘de Stichting’,
gemachtigde: mr. J.H.Th. Frissen van de Bond Katholiek Beroeps- en Voortgezet Onderwijs,
tegen:
[verweerder],
wonende te [adres],
verwerende partij, hierna te noemen ‘[verweerder]’,
gemachtigde: mr. L. van Luipen, advocaat te Rotterdam.
1. Het verloop van het geding
1.1 De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. het op 8 april 2010 ter griffie ontvangen verzoekschrift;
b. het daarop ontvangen verweerschrift, met producties;
c. de op 11 mei 2010 nagezonden producties van de Stichting;
d. de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de mondelinge behandeling ter zitting van 12 mei 2010 met bijbehorend audiëntieblad, alsmede de door gemachtigden van partijen ter zitting overgelegde pleitnotities.
2. Het geschil
2.1 De Stichting verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verweerder] te ontbinden per 1 mei 2010, althans zo vroeg mogelijk, op grond van gewichtige redenen, bestaande uit veranderingen in de omstandigheden als bedoeld in artikel 7:685 BW, met compensatie van de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2.2 [verweerder] verzoekt primair om het ontbindingsverzoek af te wijzen, subsidiair bij toewijzing van het verzoek aan [verweerder] ten laste van de Stichting een vergoeding van € 61.585,92 toe te kennen, berekend op basis van de kantonrechtersformule met toepassing van een correctiefactor 1,5, dan wel een in goede justitie te bepalen vergoeding.
3. De beoordeling
3.1 Tussen partijen staan de navolgende feiten in rechte vast:
a. [verweerder], geboren op 2 juni 1955 en mitsdien thans 55 jaar, is op 1 augustus 2004 in dienst getreden als docent natuur- en scheikunde aan de onder de Stichting ressorterende [X], tegen een salaris van € 4.224,00 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en 6,3% eindejaarsuitkering;
b. De Stichting is in 2008 bekend geworden met het feit dat [verweerder], ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een minderjarige leerlinge van het Penta College, de school waar hij voorheen als docent werkzaam was; [verweerder] heeft van meet af aan erkend dat hij aan deze feiten schuldig was; de Stichting heeft [verweerder] toen onverkort in zijn functie gehandhaafd;
c. Bij vonnis van 1 februari 2010 van de rechtbank Rotterdam is [verweerder] veroordeeld tot drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf van veertig uren en een behandeling door de reclassering wegens een ingeschat gemiddeld recidiverisico;
d. De Stichting heeft [verweerder] per 1 februari 2010 geschorst;
e. [verweerder] heeft tegen voornoemd vonnis hoger beroep ingesteld.
3.2 De Stichting heeft aan haar verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De Stichting is van mening dat zij [verweerder], gezien zijn strafrechterlijke veroordeling wegens ontucht, niet kan handhaven. De Stichting heeft namelijk de verantwoordelijkheid voor een onderwijsorganisatie, waaraan leerlingen door hun ouders en/of verzorgers zijn toevertrouwd. Nu bij [verweerder] recidivegevaar is vastgesteld en behandeling door de reclassering is aanbevolen, rust op de Stichting een beschermingsplicht. Het langer handhaven van [verweerder] brengt niet alleen risico’s voor leerlingen met zich mee, het draagt ook niet bij aan het vertrouwen in de school. Dit leidt niet alleen tot reputatieschade, maar ook tot afname van leerlingen en daarmee van werkgelegenheid. De Stichting wist bij de aanname van [verweerder] in augustus 2004 niet wat zich op de vorige school had afgespeeld; pas in 2008 is zij bekend geworden met de feiten. De Stichting heeft niet in de situatie berust, maar uit respect voor [verweerder] heeft zij hem gehandhaafd tot het moment waarop hij strafrechterlijk werd veroordeeld. Zij heeft zich hiermee als een goed werkgeefster willen betonen. Op 19 maart 2009 is met [verweerder] een gesprek gevoerd, waarin concreet is afgesproken dat ontslag zou volgen bij een veroordeling. De Wet op het Voortgezet Onderwijs stelt voorts aan de benoembaarheid/tewerkstelling van een docent de eis van een verklaring omtrent het gedrag. De huidige situatie van en rond [verweerder] staat hiermee op gespannen voet. Personeel, ouders bij monde van de ouderraad en het bestuur van de Stichting hebben op ontslag aangedrongen. [verweerder] werkt niet meer sinds 1 februari 2010, maar heeft zijn non-activiteit ook niet echt aangevochten. Hij heeft zijn advocaat vanaf 17 februari 2010 schikkingsvoorstellen laten doen, welke voor de Stichting onaanvaardbaar waren. De veroordeling is weliswaar nog niet onherroepelijk, maar gezien de bekentenis van [verweerder] valt in hoger beroep geen vrijspraak te verwachten. Daarnaast is de vertrouwensrelatie tussen [X] en [verweerder] zodanig geschaad, dat alleen al daarom ontbinding moet volgen. Het feit dat geen beroepsverbod door de strafrechter is uitgesproken, maakt dit niet anders en vormt geen conditio sine qua non voor ontbinding. Bij een belangenafweging komt de Stichting tot de conclusie dat zij een maatschappelijk belang dient dat groter is dan het individuele belang van [verweerder]. Het ontbindingsverzoek houdt voorts geen verband met een opzegverbod. De ziekte van [verweerder], zo al aanwezig, hetgeen nog niet is vastgesteld, is in feite situatief. Gezien het vorengaande acht de Stichting toekenning van een vergoeding niet aan de orde.
3.3 [verweerder] voert samengevat het volgende aan. De Stichting heeft ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht wegens een verandering van omstandigheden. Zij heeft haar verzoek gebaseerd op de veronderstelling dat ouders en/of leerlingen door de strafrechterlijke veroordeling het vertrouwen in [verweerder] en/of [X] verliezen. Daarvan is echter geen enkele sprake en de Stichting heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd. Er zijn nimmer klachten van ouders of leerlingen bij de Stichting binnengekomen en dat zal ook niet gebeuren, aangezien de ouders en de leerlingen al sinds 2008 zijn op de hoogte zijn van de feiten. [verweerder] geniet juist het volste vertrouwen van ouders en leerlingen, zo blijkt onder meer uit de petitie waar leerlingen het initiatief toe hebben genomen. De feiten dateren voorts van tien jaar geleden en [verweerder] is sindsdien van onbesproken gedrag. Hij heeft zich al zevenentwintig jaar bewezen als een goede docent. Toen de Stichting bekend werd met de feiten in 2008, was dit voor haar geen aanleiding om maatregelen te nemen. Niet alleen is aan [verweerder] geen enkele beperking in de uitoefening van zijn werk opgelegd, [X] heeft hem ook gesteund door lovende verklaringen af te leggen in de strafzaak. Alleen al hierom zou het ontbindingsverzoek afgewezen moeten worden. Daar komt bij dat de strafrechterlijke veroordeling nog niet onherroepelijk is. Momenteel is er nog een hoger beroep aanhangig. Volgens vaste jurisprudentie zou in ieder geval afgewacht moeten worden wat de inhoud is van een onherroepelijk geworden strafuitspraak. Voorts is [verweerder] genoeg gestraft. Een ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou dan ook disproportioneel zijn. [verweerder] heeft zich bovendien ziek moeten melden, omdat de zaak hem heeft aangegrepen. De reflexwerking van het opzegverbod brengt met zich mee dat het ontbindingsverzoek dient worden afgewezen. De gevolgen van ontbinding zijn voorts te ingrijpend voor [verweerder]. Omdat [verweerder] niet meer over een Verklaring Omtrent het Gedrag beschikt, zal het voor hem feitelijk onmogelijk zijn om een nieuwe baan te vinden in het onderwijs. Dit is niet wat de strafrechter heeft gewild: die heeft [verweerder] immers geen beroepsverbod willen opleggen. De kansen voor [verweerder] op de arbeidsmarkt zijn gering, gezien zijn eenzijdige arbeidsverleden in het onderwijs, zijn leeftijd, de reputatieschade die hij heeft opgelopen en het feit dat hij momenteel ziek is. [verweerder] verzoekt primair om afwijzing van het ontbindingsverzoek. Hij wil graag bij [X] in dienst blijven en hij kan rekenen op de steun van leerlingen en ouders. Ook zijn collega’s zien hem graag terugkeren. Voor het geval toch wordt geoordeeld dat een ontbinding aan de orde is, verzoekt [verweerder] - met alle omstandigheden rekening houdende - een vergoeding van € 61.585,92 toe te kennen, berekend op basis van de kantonrechtersformule met toepassing van een correctiefactor 1,5.
3.4 Naar het oordeel van de kantonrechter houdt het verzoek van de Stichting geen verband met een verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:685 BW.
3.5 De eerste vraag die ter beoordeling voorligt, is of de arbeidsovereenkomst al dan niet moet worden ontbonden. De Stichting heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd gewichtige redenen, bestaande uit veranderingen in de omstandigheden als bedoeld in artikel 7:685 BW. Deze veranderingen in de omstandigheden zijn volgens haar gelegen in het verlies van vertrouwen in [verweerder], maar ook in het dreigend verlies van vertrouwen in [X] indien [verweerder] zou worden gehandhaafd. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is hiervan naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken. De door de Stichting gestelde verandering van omstandigheden bestaat uit de veroordeling van [verweerder] door de strafrechter voor feiten die hij tien jaar eerder heeft begaan, tengevolge waarvan de Stichting het vertrouwen in [verweerder] zou hebben verloren. De kantonrechter kan de Stichting hier niet in volgen. Immers toen de feiten in 2008 bekend werden heeft [verweerder] deze zonder enig voorbehoud als juist erkend. De Stichting noch leerlingen, ouders of collega’s van [X] hebben hierin een bezwaar gezien om [verweerder] op de oude voet als docent verder te laten functioneren. De Stichting heeft, zoals [verweerder] ook zelf aanvoert, toen niet alleen het – op zichzelf moedige – besluit genomen om [verweerder] in zijn functie te handhaven, maar ook besloten om hem op alle mogelijke manieren te ondersteunen. De strafrechtelijke veroordeling terzake van deze aan alle betrokkenen bekende, door [verweerder] erkende feiten, verandert op zich zelf niets aan de feiten noch aan de ernst van die feiten. Derhalve valt niet in te zien waarom het vertrouwen in [verweerder] nu zou zijn verloren, indien dit in 2008, na het bekend worden van de feiten, niet het geval was. De Stichting heeft haar stelling dat het personeel en ouders hebben aangedrongen op ontslag van [verweerder] op geen enkele wijze onderbouwd. Voorts is niet gebleken dat er klachten zijn (geweest) jegens [verweerder]. Uit de bij het verweerschrift overgelegde stukken blijkt juist dat [verweerder] de steun en het vertrouwen geniet van ouders, leerlingen en collega’s. Uit de overgelegde stukken kan de kantonrechter evenmin afleiden dat er sprake zou zijn van recidivegevaar, zoals door de Stichting wordt gesteld. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden afgewezen, nu niet is gebleken van de door de Stichting aan het verzoek ten grondslag gelegde veranderingen in de omstandigheden als bedoeld in artikel 7:685 BW.
4. De proceskosten
Nu het onderhavige verzoek wordt afgewezen, zal de Stichting worden veroordeeld in de kosten van de procedure, aan de zijde van [verweerder] gevallen.
5. De beslissing
De kantonrechter:
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af;
veroordeelt de Stichting in de kosten van de procedure, aan de zijde van [verweerder] gevallen, tot op heden begroot op
€ 400,00 aan salaris gemachtigde.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.J.G.M. Ides Peeters, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.

Bel voor vragen over ontucht 0900 – 123 73 24 of mail ons.

 

 

 

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 


Kennelijk onredelijk ontslag

Wanneer een werknemer bij ontslag wegens bedrijfseconomische redenen een vergoeding van de werkgever afslaat (met de hoop een hogere vergoeding in rechte te verkrijgen met een kennelijk onredelijk ontslag procedure) en deze vergoeding 'redelijk' is, zal de rechter in beginsel niet overgaan tot een hogere vergoeding. Temeer wanneer het gaat om een werkgever die afhankelijk is van subsidies van de overheid, waarbij het risico van een subsidiestop altijd aanwezig is.

In casu gaat het om een theater dat haar inkomsten voor 80% uit de gemeentesubsidie haalt. Vanwege het stopzetten van deze subsidie is de werkgever genoodzaakt haar directrice te ontslaan. Zij doet dit echter niet zomaar, het theater biedt de directrice een vergoeding van € 60.000 aan.  De vergoeding slaat de directrice tot tweemaal toe af. Zij is van mening dat de vergoeding niet hoog genoeg is en betrekt het theater in rechte.

De rechter is echter van mening dat het theater met haar twee aanbiedingen, van een niet onredelijk bedrag, voldoende zorgvuldig jegens haar directrice heeft gehandeld. Door tot tweemaal toe te weigeren heeft de directrice zelf het risico genomen dat er geen nieuw aanbod zou komen.  De directrice behoorde volgens de rechter te weten dat de vergoeding niet door het theater zelf maar door de gemeente betaald zou moeten worden, de stichting kon de vergoeding zelf niet opbrengen.

Het theater heeft dus door een vergoeding van € 60.000 aan te bieden de kennelijke onredelijkheid van het ontslag weggenomen. De directrice heeft zelf het risico genomen dit aanbod af te slaan met als gevolg dat zij helemaal niets meer krijgt.

Heeft u met betrekking tot kennelijk onredelijk ontslag vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mail ons.

U kunt ook onze website met uitgebreide informatie over ontslag bezoeken door te klikken op:

kennelijk onredelijk ontslag

Hieronder vindt u de uitspraak van de kantonrechter.

RECHTBANK DORDRECHT Sector kanton Locatie Dordrecht kenmerk: 233211 CV EXPL 09-3376 vonnis van de kantonrechter te Dordrecht van 22 april 2010 in de zaak van [naam], wonende te [plaatsnaam], eiseres, gemachtigde: mr. J.M.C. Wessels, advocaat, tegen de stichting Stichting Kleintheater [plaatsnaam], gevestigd te [plaatsnaam], gedaagde, gemachtigde: mr. A. Ester, advocaat. Partijen zullen hierna ook [eiseres] en De Stichting genoemd worden. De procedure De kantonrechter doet uitspraak op de volgende processtukken: -  de dagvaarding van 21 april 2009, -  de conclusie van antwoord, -  het tussenvonnis van 23 juli 2009, -  het proces-verbaal van comparitie van 22 september 2009, -  de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging van de eis -  de conclusie van dupliek, -  de akten met producties van beide partijen. De feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast. [eiseres] (thans bijna [leeftijd] jaren oud) is van 1 januari 1994 tot en met 1 januari 2009 bij De Stichting in dienst geweest, vanaf het jaar 2000 in de functie van directeur/zakelijk leidster van theater [naam] te [plaatsnaam] tegen een salaris van € 4.057,-- bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag.    Bij beslissing van 26 september 2008 heeft de Raad van Bestuur van de toen nog zo geheten Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI) aan De Stichting toestemming verleend om het dienstverband met [eiseres] te beëindigen. Aan het verzoek tot die beëindiging lag ten grondslag dat De Stichting m.i.v. 1 januari 2009 niet meer in aanmerking kwam voor subsidieverlening door de gemeente [plaatsnaam]. Door [eiseres] is aan De Stichting bij brief van 5 juni 2008 een vergoeding van € 60.000,-- ter zake van de voorgenomen beëindiging van het dienstverband aangeboden, welk aanbod door [eiseres] is afgewezen. [eiseres] is sedert 15 september 2009 op tijdelijke basis elders tegen een lager salaris werkzaam. De vordering Bij dagvaarding vordert [eiseres] een bedrag van € 76.677,30 gebaseerd op de zogenoemde kantonrechtersformule met C=1 en daarvan dan 70%. Bij repliek heeft zij haar eis gewijzigd in schadevergoeding te weten € 25.000,-- inkomensverlies, € 20.000,-- immateriële schade, alsmede € 67.507,36 voor pensioenschade, in totaal een bedrag van € 112.507,36 uitmakende. [eiseres] vordert na wijziging (vermeerdering) van de eis om voor recht te verklaren dat het aan [eiseres] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is, alsmede om De Stichting te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 112.507,36 vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf 1 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening en voorts tot betaling van een bedrag van € 2.975,-- ter zake van buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van De Stichting in de proceskosten. [eiseres] legt daaraan het navolgende ten grondslag. Gelet op de voor haar niet getroffen voorzieningen en de voor haar niet bestaande mogelijkheid om ander passend werk te vinden, zijn de gevolgen van de opzegging voor haar te ernstig in vergelijking met het belang dat De Stichting bij de opzegging heeft. [eiseres] heeft altijd uitstekend gefunctioneerd. De Stichting heeft in de media ten onrechte de suggestie gewekt dat er een fatsoenlijk Sociaal Plan zou worden opgesteld, wat niet het geval is gebleken. De Stichting heeft voor [eiseres] geen enkele geldelijke voorziening getroffen. Aan [eiseres] is geen outplacement o.i.d. aangeboden. Haar kansen op de arbeidsmarkt zijn gering. Zij is niet vrijgesteld van werk gedurende de in acht genomen opzegtermijn. Zij heeft inkomensachteruitgang en lijdt pensioenschade. Van [eiseres] kon en mocht niet worden verwacht dat zij een aanbod van De Stichting tot betaling van € 60.000,-- bruto meteen zou hebben aanvaard. Daarom heeft [eiseres] een tegenbod gedaan, waarop door De Stichting nimmer meer is gereageerd. De Stichting heeft voldoende vermogen om een hogere schadevergoeding te kunnen betalen. Bovendien heeft de gemeente [plaatsnaam] de contractuele plicht om De Stichting ter zake van alle uitgaven, waaronder ontslagvergoedingen, te vrijwaren. Het verweer De Stichting heeft het navolgende verweer gevoerd. De ontslagreden wordt gevormd door een algehele beëindiging van bedrijfsactiviteiten op bedrijfseconomische grondslag. Sedert mei 2008 was er al geen programmering meer. De inkomsten bestonden steeds voor 80% uit een bijdrage van de gemeente [plaatsnaam]. Het wegvallen van de subsidie veroorzaakte dat er onvoldoende overbleef om het doel, het organiseren van theatervoorstellingen, te verwezenlijken, omdat zonder die subsidie de huur noch het personeel (naast [eiseres] bestaande uit een caissière, twee schoonmaaksters en een administratieve kracht) bekostigd konden worden. Hoewel de gemeente [plaatsnaam] niet voornemens was “gouden handdrukken” te geven, is in maart 2008 toch een bedrag van € 60.000,-- aan [eiseres] aangeboden, welk aanbod in juni 2008 nog eens is herhaald. [eiseres] heeft dat aanbod twee maal verworpen. Ook is een outplacementtraject aangeboden, dat evenmin door [eiseres] is aanvaard. Voor een hoger bedrag wilde de gemeente niet gaan en bij De Stichting zelf waren onvoldoende middelen beschikbaar, zodat zij daartoe zelf niet in staat was. Alle overige werknemers hebben genoegen genomen met een aanvulling op hun WW-uitkering gedurende één jaar. De Stichting heeft geen directe invloed op de subsidiegever en is dus niet bij machte verder te gaan dan de gemeente wilde. [eiseres] heeft nagelaten om snel elders te solliciteren, terwijl zij al lang wist dat het diensverband zou eindigen. Beoordeling Voor aanname van een kennelijk onredelijk ontslag als gesteld door [eiseres] dient er sprake te zijn van een situatie waarbij, gelet op de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheid om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor die werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Bij het bezien of zich deze situatie hier voordoet, dienen alle omstandigheden van het geval te worden betrokken. Bij het aangaan van een dienstbetrekking met een in overwegende mate van subsidie (gemeenschaps)gelden afhankelijke werkgever kan men weten dat bij het stopzetten van die subsidie het voortbestaan van de functie veelal illusoir is, terwijl “gouden handdrukken” uit die gemeenschapsgeldenpot zelden te verwachten zijn. Indien een werkgever dan niettemin in zo’n geval een aanbod doet, is dat te prijzen. Dat dit aanbod wellicht niet inhoudt dat het totale ongerief voor de werknemer wordt weggenomen maakt de beëindiging van het dienstverband zeker niet automatisch kennelijk onredelijk. Onweersproken is uiteindelijk dat De Stichting twee maal aan [eiseres] een aanbod tot betaling van een vergoeding van € 60.000,-- heeft gedaan. De eerste keer in maart 2008 en nadien nogmaals in juni 2008. [eiseres] heeft beide aanbiedingen afgewezen, omdat zij die niet redelijk vond en omdat zij meer wenste te ontvangen. Hoe [eiseres] echter dan kan stellen dat De Stichting “geen enkele voorziening” heeft getroffen, is niet duidelijk. De geboden voorziening is immers door [eiseres] afgewezen. Door [eiseres] is in deze procedure aanvankelijk een bedrag was € 76.677,30 gevorderd, welk bedrag bij repliek is verhoogd tot € 112.507,36. Het eerste bedrag van € 76.677,30 bezien, in verhouding tot de door De Stichting geboden vergoeding van € 60.000,-- , geeft in feite al aan dat hier sprake van een niet onredelijk bod van De Stichting is geweest. Die twee bedragen liggen immers niet zo ontzettend ver uiteen. De huidige eis omvat een bedrag van € 20.000,-- aan immateriële schade, die nauwelijks is onderbouwd en die slechts in heel bijzondere gevallen (die zich hier niet lijken voor te doen) zal kunnen worden toegewezen. Die eis omvat als pensioenschade-element een bedrag van € 67.507.36 welk bedrag, zo het juist zou zijn -wat niet kan worden nagegaan omdat het nauwelijks is onderbouwd- weer niet al te veel van het bedrag van € 60.000,-- afwijkt. Tenslotte bevat het schadebedrag € 25.000,-- aan inkomstenderving, ook mager onderbouwd, zodat het verwachten van een toewijzing daarvan bepaald onzeker is. Dit houdt in, dat indien al tot een kennelijk onredelijk ontslag zou worden geoordeeld een vergoeding omstreeks € 60.000,-- als schadebedrag niet onredelijk zou zijn geweest. Daarom kan worden vast gesteld dat de Stichting met haar twee aanbiedingen voldoende zorgvuldig jegens [eiseres] is geweest en dat [eiseres] door twee maal een niet evident onredelijk bedrag te weigeren zelf het risico heeft genomen dat er geen nieuw bod meer zou komen. Dat risico was des te groter, omdat [eiseres] wist, althans behoorde te weten dat een te betalen bedrag niet door De Stichting zelf kon worden opgebracht, maar vanwege de gemeente [plaatsnaam] moest worden betaald. De door De Stichting overgelegde jaarstukken bevestigen de slechte financiële situatie van De Stichting. Uit niets is ook gebleken, dat de gemeente [plaatsnaam], zoals [eiseres] heeft gesteld, De Stichting zou dienen te vrijwaren. Het komt er dus op neer dat De Stichting de eventuele grond voor een kennelijk onredelijk ontslag, met het aanbieden van een bedrag van € 60.000,-- heeft weggenomen. Daarmee heeft [eiseres] het risico dat zij met haar afwijzingen willens en wetens liep zelf verwezenlijkt. Het gegeven ontslag is derhalve niet als kennelijk onredelijk aan te merken. De vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen. [eiseres] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure te worden veroordeeld. 4.  De beslissing De kantonrechter wijst de vordering af; veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van De Stichting vastgesteld op € 1.800,-- aan salaris voor de gemachtigde van De Stichting; Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.

 

Bel voor vragen over kennelijk onredelijk ontslag 0900 – 123 73 24 of mail ons.

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 

 

Ontslag op staande voet

Het wegnemen van spullen van de werkvloer door de werknemer levert een dringende reden voor ontslag op staande voet op. Ook al zijn de spullen die weg worden genomen nog zo klein. De motivatie hiervoor is dat de werkgever de werknemer te allen tijde moet kunnen vertrouwen. De waarde van de spullen die weg worden genomen speelt geen enkele rol. 

De kantonrechter te Groningen oordeelde over het wegnemen van een pak shag door een werknemer. Deze rechter vindt dat de werkgever voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de hij moet kunnen vertrouwen op de integriteit van zijn werknemers door het vele klanten contact dat zij hebben. 

Zie hieronder de uitspraak van de kantonrechter te Groningen.

 

Heeft u met betrekking tot ontslag op staande voet vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mail ons.


Uitspraak

Locatie Groningen
Zaakrolnummer: 406506 EJ VERZ 09-334
Beschikking van 3 juli 2009
inzake
de stichting Stichting De Hoven,
gevestigd en kantoorhoudende te Onderdendam,
verzoekster, hierna De Hoven te noemen,
gemachtigde mr. G.W. Brouwer,
tegen
G.,
wonende te [adres],
verweerder, hierna G. te noemen,
gemachtigde mr. E.P. Groot.
PROCESGANG
Bij verzoekschrift van 14 mei 2009 is verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden in verband met verandering in de omstandigheden welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst dadelijk dan wel na korte tijd behoort te eindigen.
De mondelinge behandeling is gehouden op 18 juni 2009. Partijen, De Hoven vertegenwoordigd, en hun gemachtigden zijn ter zitting verschenen, waar zij hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen hebben gezet. Van het verhandelde is door de griffier aantekening gehouden.
De uitspraak bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
De feiten
1. G., geboren 7 oktober 1960, is sinds 1 augustus 1984 bij De Hoven als kok in loondienst. Hij verricht zijn werkzaamheden in woonzorgcentrum Alegunda Ilberi in Bedum.
2. Op 12 maart 2009 heeft G. zijn auto van het parkeerterrein naar de leveranciersingang verplaatst en vlak voor het einde van zijn werktijd een krat bier in die auto gezet. Hij heeft zijn leidinggevende Q. nog gezien, maar heeft niet over het kratje bier gerept. Vervolgens heeft hij zich omgekleed. Daarna is hij Q. opnieuw tegengekomen die hem heeft aangesproken met de vraag wat hij aan het doen was.
3. Op 20 maart 2009 heeft De Hoven G. op non actief gesteld.
Het geschil
1. Volgens De Hoven kan niet van haar verlangd worden dat zij de arbeidsrelatie met G. in stand houdt. Zij heeft daartoe aangevoerd dat G. de bedoeling heeft gehad om het krat bier te ontvreemden. G. heeft zijn auto verreden om daar ongezien het krat bier in te kunnen zetten. Hij heeft zijn leidinggevende Q. nog gezien tussen het verrijden van de auto en het wegnemen van het krat bier uit het magazijn of de keuken, maar hij heeft toen niet om toestemming om het krat bier te lenen gevraagd. Bij de tweede ontmoeting met Q., toen het krat bier al in de auto stond, heeft G. evenmin het krat bier ter sprake gebracht, hoewel de eerste vraag van Q. hem daartoe uitnodigde. Pas na de vraag wat hij in de auto had gezet noemde G. het krat bier. Volgens Q. heeft G. het krat bier haastig in de auto gezet en maakte hij een zenuwachtige indruk toen Q. hem aansprak.
Het lenen van goederen is uitzondering en gebeurt altijd met voorafgaande toestemming van de direct leidinggevende. De Hoven is van mening dat zij het vertrouwen in G. is verloren en dat de arbeidsovereenkomst daarom moet worden ontbonden. De gewichtige reden dient primair als een dringende reden te worden gekwalificeerd, subsidiair beschouwt De Hoven dat wat er is gepasseerd als een zodanige verandering van de omstandigheden dat niet van haar kan worden gevergd het dienstverband voort te zetten.
2. G. heeft verweer gevoerd. Hij erkent dat hij een kratje bier in zijn auto heeft gezet, maar hij wilde dit niet stelen. Het gebeurt wel meer dat werknemers zaken van de werkgever kunnen lenen zoals etenswaren, behangtafels en stoomapparaten.
Hij heeft zijn auto bij de achterdeur gezet omdat hij daar iets uit moest halen. Hij heeft Q. gezien, maar heeft vergeten hem aan te spreken over het krat bier. Daarna heeft hij het krat in de auto gezet. Toen hij zich vervolgens had omgekleed en Q. weer tegenkwam, heeft deze hem gevraagd wat hij aan het doen was. Hij heeft toen verteld dat hij een kratje bier had gepakt en heeft Q. gevraagd of dat goed was. Q. antwoordde dat het goed was. Thuis bleek er al bier gehaald te zijn. G. heeft het kratje vervolgens teruggebracht.
Er is dan ook geen reden om hem te ontslaan. Er is ook geen dringende reden, hij wordt nog steeds doorbetaald. Hij verzoekt het verzoek tot ontbinding af te wijzen.
De beoordeling ontslag op staande voet
1. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houd met het bestaan van een opzegverbod.
2. G. heeft toegegeven dat hij zijn auto van het parkeerterrein naar de leveranciersingang heeft verplaatst en daar vervolgens een krat bier in heeft geplaatst. De kantonrechter is van mening dat de lezing van G. dat hij een krat bier wilde lenen en dat hij daarvoor toestemming heeft gekregen van zijn leidinggevende niet geloofwaardig is.
3. G. wist in de eerste plaats dat er toestemming nodig was voor het lenen of gebruik van zaken van De Hoven. G. heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat er wel vaker zaken geleend werden. Ter zitting heeft hij verklaard dat dit alleen een behangtafel of een stoomapparaat betrof en dat hij daar toestemming voor heeft gevraagd en verkregen. Ook voor het meenemen van etenswaren moest toestemming vooraf worden verkregen. Voor de zitting heeft De Hoven een kopie van een brief van een gespreksverslag van 6 juni 2007 overgelegd waaruit volgt dat er artikelen kunnen worden besteld voor de fietscross club (waar G. voorzitter van was) met medeweten van het hoofd algemene dienst en dat er bij deze afgerekend zou moeten worden. G. heeft ter zitting verklaard dat dit één keer is gebeurd, namelijk toen er broodjes voor de fietscross club waren besteld.
Ondanks dat G. wist dat toestemming nodig was voor het meenemen van zaken van De Hoven heeft hij die toestemming niet gevraagd voordat hij het krat bier in zijn auto plaatste.
Hij heeft toegegeven dat hij Q. heeft gezien toen hij de auto al bij de leveranciersingang had gezet. Op dat moment heeft hij niet om toestemming gevraagd. Toen hij zich had omgekleed en Q. opnieuw tegenkwam heeft hij evenmin om toestemming gevraagd.
G. heeft in zijn verweerschrift opgemerkt dat hij bij de tweede ontmoeting met Q. heeft gevraagd of het goed was dat hij een krat bier meenam, maar op de zitting heeft hij verklaard dat hij geen kans heeft gehad om Q. om toestemming te vragen, omdat deze eerst vroeg wat hij met zijn auto bij de leveranciersingang deed en onmiddellijk daarna vroeg wat hij in de auto had gezet. Gezien dit niet consequente verweer gaat de kantonrechter er vanuit dat G. geen toestemming heeft gevraagd (en gekregen), hoewel hij wist dat die toestemming vereist was.
5. G. heeft voldoende gelegenheid gehad om toestemming te vragen om een krat bier mee te nemen. Nadat hij de auto bij de leveranciersingang had neergezet heeft hij Q. gezien. Hij heeft toen niets gezegd over het krat bier maar is zich gaan omkleden. Toen hij daarna Q. opnieuw tegen het lijf liep, heeft hij niet op eigen initiatief het krat bier ter sprake gebracht.
Denkbaar is dat G. niet eens om toestemming heeft willen vragen omdat hij niet heeft tegengesproken dat hij op weg naar huis praktisch langs een winkel komt waar bier te koop is en die nog open was, zodat er ook geen enkele noodzaak was om bier bij De Hoven weg te nemen.
6. De Hoven heeft zich naar het oordeel van de kantonrechter dan ook terecht op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een bewust wegnemen van goederen van De Hoven, anders gezegd van diefstal. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een dringende reden voor ontslag op staande voet dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden, waaronder de persoonlijke omstandigheden van G. Hij is thans 48 jaar oud, hij is bijna 25 jaar bij De Hoven in dienst is en heeft een goede staat van dienst.
Deze omstandigheden wegen echter niet op tegen het belang van De Hoven dat haar personeel onvoorwaardelijk moet kunnen vertrouwen, zeker iemand als G. die in zijn functie vrije toegang heeft allerlei zaken die eigendom zijn van De Hoven.
7. Of G. ook betrokken is geweest bij andere verdwijningen uit het magazijn kan verder in het midden worden gelaten. De Hoven heeft aangevoerd dat er verdenking was ontstaan omdat er vaker goederen uit het magazijn waren verdwenen, hetgeen voor Q. de reden is geweest om scherper op te letten.
8. Dit alles levert dan ook een gewichtige reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst op nu er omstandigheden zijn die een dringende reden voor ontslag op staande voet zouden hebben opgeleverd wanneer de arbeidsovereenkomst om die reden onverwijld zou zijn opgezegd.
9. Omdat de gewichtige redenen worden gevormd door omstandigheden die een dringende reden zouden hebben opgeleverd is er geen ruimte om de ontbinding vergezeld te laten gaan van een vergoeding.
10. Het verzoek tot ontbinding kan dan ook worden toegewezen.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
BESLISSING
De kantonrechter:
1. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen op grond van gewichtige redenen bestaande in een dringende reden per 15 juli 2009.
2. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. van den Noort kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2009 in aanwezigheid van de griffier.

 

Bel voor vragen over ontslag op staande voet naar 0900- 123 73 24.

 

 

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 


ontslag onderwijs

Docent krijgt ontslag onderwijs wegens relatie met 17-jarige leerlinge.

Na ontdekking van de relatie door de directeur van de scholengemeenschap waar de docent werkte, diende de docent zijn ontslag in. Later bedacht de docent zich en trok dit ontslag weer in. Hierop ontsloeg de directeur de docent op staande voet met als reden het aangaan van een relatie met een 17-jarige leerlinge. Om zeker van de zaak te zijn stapte de scholengemeenschap ook naar de rechter voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de docent. De docent verweerde zich met de stelling dat er geen seksueel contact was geweest tussen de leerlinge en de docent. Het stond echter vast dat de docent een relatie was aangegaan met de leerlinge en dat hij gewaarschuwd was door de rector van de scholengemeenschap met betrekking tot deze relatie.


De rechter was van mening dat de docent door zijn gedrag in ernstige mate het vertrouwen had geschonden van ouders, leerlingen en de schoolleiding, die professioneel gedrag van een docent verwachten. Ook doordat de docent niets had aangetrokken van de waarschuwing van de rector werd de arbeidsovereenkomst met de docent ontbonden zonder ontslagvergoeding. Zie hieronder de uitspraak.

Heeft u met betrekking tot ontslag onderwijs vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mail ons.

Uitspraak

EA-4923/09
RECHTBANK TE AMSTERDAM, SECTOR KANTON, LOCATIE AMSTERDAM
Beschikking op het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 29 oktober 2009 van:
de stichting “ Onderwijs Stichting Zelfstandige Gymnasia”,
verzoekster
gevestigd te Haarlem
gemachtigde: mr. drs. G.J. Heussen
tegen:
[verweerder]
verweerder,
wonende te [woonplaats]
gemachtigde: mr. B. van Meurs.
Verloop van de procedure
Het verzoekschrift strekt tot voorwaardelijke ontbinding van de hierna te noemen arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, als bedoeld in art. 7:685 van het Burgerlijk Wetboek.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Ter terechtzitting van 1 december 2009 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Gehoord zijn partijen en hun gemachtigden.
Gronden van de beslissing
1. Bij de beoordeling van het verzoek wordt van het volgende uitgegaan.
Verweerder, die 29 jaar oud is, is op 1 augustus 2007 in dienst van verzoekster getreden. Zijn functie is docent economie op het [gymnasium], thans op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een omvang van 0,325 fte. Het salaris bedraagt EUR 1.032,12 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag, toeslagen en eindejaarsuitkeringen.
Verweerder heeft op 29 september 2009 een eerder door hem ondertekende en bij de rector van het [gymnasium] ingediende ontslagbrief ingetrokken.
Daarop heeft de rector verweerder bij brief van 29 september 2009 op staande voet ontslagen. Daarbij werd aan gedaagde als dringende reden opgegeven, dat hij met een minderjarige leerlinge van de school een (seksuele) relatie is aangegaan en heeft onderhouden, daardoor misbruik makend van zijn positie als docent, en een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in titel XIV van het Wetboek van Strafrecht plegend.
Verweerder is tegen dit ontslag op staande voet tijdig in beroep gegaan bij de Commissie van Beroep Voortgezet Onderwijs.
2. Als gewichtige reden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voert verzoekster primair aan dat sprake is van omstandigheden die een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren voor ontslag onderwijs, subsidiair dat sprake is van een verandering in de omstandigheden van dien aard, dat de dienstbetrekking billijkheidshalve zo spoedig mogelijk behoort te eindigen. Verzoekster stelt daartoe dezelfde feiten die aan het verweerder gegeven ontslag ten grondslag zijn gelegd. Voor het geval dat zou worden geoordeeld dat van een dringende reden geen sprake is, stelt verzoekster dat zij ieder vertrouwen in verweerder heeft verloren.
3. Verweerder bestrijdt het verzoek. Hij stelt dat verzoekster misbruik maakt van (proces)recht en bevoegdheid door thans de dringende reden opnieuw ten grondslag te leggen aan het verzoek tot ontbinding. Het oordeel of sprake is van een dringende reden, komt thans toe aan de Commissie van Beroep Voortgezet Onderwijs. Voor het geval dat toch zou worden geoordeeld over de vraag of er sprake is van een dringende reden, stelt verweerder dat dit niet het geval is omdat geen sprake is geweest van sexueel contact en blijkens hetgeen verzoekster heeft aangevoerd dan ook in haar visie geen sprake is van een dringende reden. Verweerder stelt dat het verzoek op de subsidiaire grondslag al evenmin kan worden toegewezen omdat – kort gezegd – er geen reden is voor verlies van vertrouwen in hem en geen sprake is, althans hoeft te zijn, van een verstoorde arbeidsrelatie.
4. Overwogen wordt als volgt. Het standpunt dat in de onderhavige procedure niet kan worden geoordeeld over de door verzoekster aangevoerde dringende reden, vindt geen steun in het recht. Voorts kan niet als juist worden aanvaard het standpunt van verweerder, dat wanneer – zoals hij stelt – geen sprake is geweest van een sexuele relatie ook in de visie van verzoekster niet van een dringende reden kan worden gesproken, nu verzoekster op de door verweerder aangewezen plaats in het verzoekschrift nu juist stelt dat, ook wanneer geen sprake zou zijn geweest van sexueel contact, de dan nog steeds vaststaande feiten inzake de betrekkingen die verweerder met een minderjarige leerling heeft onderhouden een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren.
5. Omtrent die betrekkingen is, mede op grond van de mededelingen van verweerder daarover, komen vast te staan dat verweerder een relatie is aangegaan met een leerlinge, die in de klas zat waaraan verweerder in het schooljaar 2008/2009 en ook in het begin van het schooljaar 2009/2010 les gaf. De relatie is aangegaan nadat de rector in maart 2009 met verweerder had gesproken over diens positie ten aanzien van deze leerlinge, die eerder dat jaar 17 was geworden. Bij die gelegenheid heeft de rector verweerder “ ten sterkste” aangeraden om geen privé-afspraken te maken die hem in de omstandigheid brengen dat hij met deze leerlinge alleen is. Vast staat ook, mede op grond van de voorstelling van zaken die verweerder bij brief van 17 oktober 2009 aan de rector heeft gegeven, dat verweerder met de leerlinge contact is blijven houden, bestaande uit e-mails, sms’jes, chatten en bellen, en ook bezoekjes van de leerlinge aan verweerder bij de instelling waar verweerder een promotieplaats heeft. Vast staat ook, dat in de zomervakantie van 2009 verweerder en de leerlinge elkaar veelvuldig hebben ontmoet, waarbij verweerder de leerlinge ook bij hem thuis heeft ontvangen. In die zomer sloeg, in de woorden van verweerder, de vriendschappelijke relatie om in een liefdesrelatie. In die zomer heeft verweerder de leerlinge ook elders in het land bezocht en heeft hij de nacht bij haar doorgebracht.
6. Geoordeeld wordt dat verweerder door deze gedragingen in ernstige mate het vertrouwen heeft geschonden dat ouders en leerlingen mogen hebben in professioneel gedrag van een docent en het vertrouwen dat de schoolleiding mag hebben dat een docent voldoende afstand houdt tot leerlingen onwaardig is geworden, te meer waar verweerder de waarschuwing van de schoolleiding zich niet in situaties te begeven waarin hij met de leerlinge alleen zou zijn, in de wind heeft geslagen. Dit heeft tot gevolg dat van verzoekster redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij deze stand van zaken behoort de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve te eindigen met ingang van 12 december 2009. Voor een vergoeding is geen grond.
7. Gezien het voorwaardelijk karakter van de onderhavige procedure zullen de kosten van het geding worden verrekend als hierna zal worden bepaald.
Beslissing
De arbeidsovereenkomst wordt voorwaardelijk, voor het geval dat deze tussen partijen bestaat, ontbonden met ingang van 11 december 2009.
Partijen dragen ieder de eigen proceskosten.
Gegeven door mr. R.A.J. van der Linde, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

 

Bel 0900-123 73 24 indien u vragen heeft over ontslag onderwijs

 

 

 

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 


schorsing docent

Schorsing docent opgeheven door de rechter.

In onderstaande uitspraak van de rechtbank te Arnhem heft de rechter de schorsing van een docent op. De docent werd na een functioneringsgesprek ontheven van bepaalde taken die hij voorheen uitoefende. Een paar maanden daarna werd hem schriftelijk meegedeeld dat hij in het nieuwe schooljaar van al zijn taken binnen de scholengemeenschap waar hij werkte werd ontheven. De docent diende daartegen bezwaar in en werd daarna gedetacheerd bij een andere scholengemeenschap. De docent stond daar echter niet achter. Daarop reageerde zijn werkgever met een disciplinaire maatregel, schorsing van een week met inhouding van loon. De docent stapte naar de rechter die oordeelde dat de docent niet op onredelijke gronden had geweigerd mee te werken aan de detachering.

 

Heeft u met betrekking tot schorsing docent vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mail ons.

RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 177801 / KG ZA 08-752
Vonnis in kort geding van 15 januari 2009
in de zaak van
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. H. Th. Schravenmade te Maarssenbroek,
tegen
de stichting
STICHTING VAN HALL LARENSTEIN,
gevestigd te Velp,
gedaagde,
advocaat mr. S. Kropman te Nijmegen.
Partijen zullen hierna [eiser] en Stichting VHL genoemd worden.
1.  De procedure
1.1.  Het verloop van de procedure blijkt uit:
-  de dagvaarding
-  de mondelinge behandeling
-  de pleitnota van [eiser]
-  de pleitnota van Stichting VHL.
1.2.  Ten slotte is vonnis bepaald.
2.  De feiten
2.1.  [eiser] heeft een arbeidsovereenkomst met Stichting VHL. [eiser] is werkzaam bij Stichting VHL als docent bij de afdeling Bos en Natuurbeheer (‘BNB’).
2.2.  Op 18 april 2007 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en de opleidingsdirecteur BNB en het interim hoofd P&O van Stichting VHL. In dit gesprek is aan [eiser] het besluit medegedeeld dat hij van bepaalde taken werd ontheven.
Bij brief van 6 juli 2007 heeft de opleidingsdirecteur BNB van Stichting VHL aan [eiser] medegedeeld dat [eiser] met ingang van het schooljaar 2007/2008 van al zijn taken binnen BNB werd ontheven.
2.3.  Op 14 juli 2007 heeft [eiser] bezwaar ingediend bij het College van Bestuur van Stichting VHL tegen de twee besluiten van de opleidingsdirecteur BNB van Stichting VHL om hem van taken te ontheffen.
2.4.  Op 18 juli 2008 heeft Stichting VHL aan [eiser] opgedragen om op basis van detachering te gaan werken bij een andere onderwijsinstelling, het IPC te Schaarsbergen. [eiser] heeft vervolgens medegedeeld aan het IPC en Stichting VHL dat hij een opschorting van de detachering voorstond en niet op de door Stichting VHL aangegeven dag bij het IPC zou aanvangen met de detachering.
Naar aanleiding van de opstelling van [eiser] heeft Stichting VHL besloten disciplinaire maatregelen tegen [eiser] te treffen. In het kader van het opleggen van een maatregel heeft op 11 september 2008 een bespreking plaatsgevonden tussen enerzijds [eiser] en anderzijds de heer [betrokkene 1] en mevrouw [betrokkene 2] namens Stichting VHL. Stichting VHL heeft bij besluit van 10 november 2008 aan [eiser] de sanctie van schorsing opgelegd voor de duur van één week, te weten vanaf 17 november tot en met 21 november 2008, met inhouding van loon over die periode.
2.5.  Op 4 december 2008 heeft de Adviescommissie Heroverweging personeel VHL haar advies vastgesteld met betrekking tot het bezwaar van [eiser] van 14 juli 2007.
In haar advies stelt de commissie vast dat de beslissingen om [eiser] van zijn taken te ontheffen niet op deugdelijke wijze is medegedeeld aan [eiser]. Voorts constateert de commissie dat Stichting VHL geen regeling inzake functioneringsgesprekken of een beoordelingssysteem heeft vastgesteld en dat Stichting VHL niet heeft duidelijk gemaakt welke status het wegnemen van taken bij [eiser] heeft. De commissie stelt ten slotte vast dat geen sprake is geweest van een zorgvuldige beoordeling, alleen al omdat Stichting VHL het beoordelingsgesprek van 18 april 2007 niet op zorgvuldige wijze aan [eiser] was aangekondigd en tevens omdat een objectief beoordelingssysteem ontbrak.
De commissie adviseert het College van Bestuur van Stichting VHL onder meer het volgende:
-  de bestreden beslissingen in te trekken, en
-  zorg te dragen voor een passende rehabilitatie van de heer [eiser], en
-  zorg te dragen voor een zorgvuldige beoordeling van de heer [eiser], met inachtneming van een beoordelingssysteem zoals bedoeld in artikel N-2 van de CAO-HBO.
2.6.  Op 17 december 2008 heeft [eiser] een bezwaarschrift ingediend bij de Commissie van Beroep voor het HBO tegen de opgelegde disciplinaire maatregelen van schorsing en inhouding van loon. Op dit bezwaarschrift heeft de Commissie van Beroep ten tijde van de terechtzitting in het kader van deze voorlopige voorziening nog geen besluit genomen.
3.  Het geschil
3.1.  [eiser] vordert, kort weergegeven:
1.  veroordeling van gedaagde tot het opheffen van de schorsing van 18 april 2007 en het laten verrichten van de bedongen werkzaamheden, bij gebreke van naleving daarvan tot betaling van een dwangsom van € 7.500,- per dag of gedeelte van een dag met een maximum van € 375.000,-;
2.  zodanige voorzieningen te treffen als de rechtbank in goede justitie meent te behoren te treffen, bij gebreke van naleving daarvan tot betaling van een dwangsom van
€ 7.500,- per dag of gedeelte van een dag met een maximum van € 375.000,-;
3.  een voorschot op immateriële schadevergoeding toe te kennen, groot € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding;
4.  gedaagde te gebieden over te gaan tot uitbetaling van het salaris over de periode van 17 november tot en met 21 november, zulks op straffe van een dwangsom ad € 2.000,-;
5.  veroordeling van gedaagde tot voldoening van het verschuldigde salaris over de periode van 17 november 2008 tot en met 21 november 2008, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex 7:625 BW en de wettelijke rente over de som van het verschuldigde salaris en de wettelijke verhoging van het moment waarop het salaris verschuldigd werd;
6.  gedaagde te verbieden een opvolger te benoemen in de reguliere functie van eiser, op straffe van een dwangsom van € 200.000,-;
7.  gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2.  Stichting VHL voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4.  De beoordeling over schorsing docent
4.1.  Met betrekking tot het bezwaarschrift van 18 juli 2007 van [eiser] tegen de beslissingen van de opleidingsdirecteur BNB heeft Stichting VHL ter terechtzitting aangegeven dat zij zich zal neerleggen bij het advies van de Adviescommissie Heroverweging personeel VHL d.d. 4 december 2008 en dit advies zal volgen. Voorts heeft Stichting VHL aangegeven [eiser] tot de werkplek te zullen toelaten en zijn werkzaamheden weer te laten hervatten. Hiervoor heeft zij [eiser] uitgenodigd om op
5 januari 2009 in gesprek te treden over de vraag op welke wijze aan de hervatting van zijn werkzaamheden uitvoering zal worden gegeven.
4.2.  Hoewel Stichting VHL heeft aangegeven [eiser] weer tot de werkplek toe te laten en zijn werkzaamheden weer te laten uitvoeren, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser], mede gelet op de lange duur en aard van het conflict tussen partijen, voldoende belang heeft bij het verkrijgen van de voorziening.
De voorzieningenrechter acht in het licht van de uitlatingen door Stichting VHL de vordering strekkende tot het toelaten tot de werkplek en het laten hervatten van de werkzaamheden, inclusief de gevorderde dwangsom, voor toewijzing vatbaar. [eiser] heeft zijn werkzaamheden sinds 18 april 2007 niet of nauwelijks meer kunnen uitoefenen. Bij de hervatting van de werkzaamheden dient wel rekening te worden gehouden met de wijzigingen in het curriculum en in de organisatie van Stichting VHL die los van het arbeidsconflict met [eiser] hebben plaatsgevonden. Stichting VHL zal daarom worden veroordeeld om [eiser] zo veel als mogelijk is toe te laten tot de werkzaamheden die hij voorafgaand aan 19 april 2007 verrichtte. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om de gevorderde dwangsom te matigen tot € 1.000,- per dag en te maximeren tot
€ 100.000,-.
4.3.  Ten aanzien van het besluit van 10 november 2008 tot het nemen van disciplinaire maatregelen van schorsing en inhouding van loon heeft Stichting VHL zich beroepen op niet-ontvankelijkheid van [eiser], omdat hij beroep heeft ingesteld bij de Commissie van Beroep HBO. Zij stelt dat deze rechtsgang met voldoende waarborgen is omkleed, zodat er geen taak is weggelegd voor de voorzieningenrechter. Dit verweer wordt verworpen.
Op grond van artikel S-2 CAO HBO heeft een werknemer de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de Commissie van Beroep CAO. Een uitspraak van de Commissie van Beroep CAO is bindend voor werknemer en werkgever (artikel S-5 CAO HBO). Een werknemer is niet verplicht deze bindend-adviesprocedure te volgen (HR 9 november 2001, NJ 2001, 692). Als hij echter voor deze procedure kiest, zal hij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in een procedure voor de civiele rechter, waarin hij vernietiging van het besluit vordert. [eiser] vordert in deze procedure een voorlopige voorziening. Stichting VHL heeft niet gesteld dat er voor de Commissie van Beroep HBO een voorlopige voorzieningenprocedure is, zodat de voorzieningenrechter ervan heeft uit te gaan dat die er niet is. Dat betekent dat [eiser] in deze procedure tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvankelijk is, ook voor zover het een voorlopige voorziening betreft naar aanleiding van het besluit van 10 november 2008.
4.4.  Stichting VHL heeft disciplinaire maatregelen tegen [eiser] getroffen vanwege zijn weigering mee te werken aan de detachering bij het IPC zoals door Stichting VHL voorgestaan. Voorshands is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] niet op onredelijke gronden heeft geweigerd om mee te werken aan zijn detachering bij het IPC.
De Adviescommissie Heroverweging personeel VHL is in haar advies van 4 december 2008 zeer kritisch geweest over de wijze waarop Stichting VHL bij besluit van 18 april 2007 [eiser] heeft ontheven van een gedeelte van zijn taken en waarop zij nadien is omgegaan met de belangen van [eiser]. [eiser] vreesde dat de detachering bij het IPC zou worden gebruikt als een exit-strategie, gezien de mededeling dat de detachering zou worden gebruikt als een oriëntering voor werk buiten Stichting VHL. Voorshands oordelend kan [eiser] onder deze omstandigheden niet worden verweten dat hij niet voetstoots heeft willen meewerken aan detachering bij het IPC. Dat brengt mee dat aannemelijk is dat het daarop genomen besluit tot het nemen van disciplinaire maatregelen geen stand zal houden.
4.5.  Het voorgaande brengt met zich mee dat het gedeelte van de vordering dat ziet op het uitbetalen van het ingehouden loon te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:265 lid 1 BW zal worden toegewezen. De onder punt 4 van het petitum gevorderde dwangsom kan niet worden toegewezen nu de wet het opleggen van een dwangsom ter zake de betaling van een geldsom uitsluit (artikel 611a lid 1 Rv).
4.6.  [eiser] vordert voorts veroordeling van Stichting VHL tot betaling van schadevergoeding voor geleden immateriële schade, onder meer bestaande uit het niet-naleven van procedurevoorschriften door Stichting VHL, de langdurige onzekerheid over zijn schorsing en reputatieschade.
De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de vordering tot een voorschot op schadevergoeding ten dele kan worden toegewezen. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat het aannemelijk is [eiser] immateriële schade heeft geleden door de besluiten van Stichting VHL, waaronder het afnemen van zijn taken, de schorsing en het inhouden van het loon, de lange periode voordat herziening van deze besluiten aan de orde is gekomen en de aantasting van zijn goede naam en eer. De voorzieningenrechter zal een bedrag van € 2.000,- als voorschot toewijzen.
4.7.  Het gevorderde onder punt 2 van het petitum heeft geen zelfstandige betekenis en zal daarom worden afgewezen.
Met betrekking tot het door [eiser] onder punt 6 van het petitum gevorderde verbod om een opvolger in zijn functie te benoemen, overweegt de voorzieningenrechter dat het voorshands voldoende duidelijk is dat Stichting VHL bereid is mee te werken aan de hervatting van de werkzaamheden door [eiser], zodat [eiser] belang bij dit onderdeel van de vordering mist en dit gedeelte van de vordering zal worden afgewezen.
4.8.  Stichting VHL zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding    €    85,44
- vast recht      254,00
- salaris advocaat    816,00
Totaal    €   1.155,44
5.  De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.  veroordeelt Stichting VHL om, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, de opgelegde schorsing d.d. 18 april 2007 op te heffen en [eiser] toe te laten tot de gebouwen van Stichting VHL en [eiser] zo veel als mogelijk de werkzaamheden te laten verrichten die [eiser] voorafgaand aan 18 april 2007 verrichtte,
5.2.  bepaalt dat Stichting VHL voor iedere dag dat zij in strijd geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft met naleving van het onder 5.1 bepaalde, aan [eiser] een dwangsom verbeurt van € 1.000,-, tot een maximum van € 100.000,-,
5.3.  veroordeelt Stichting VHL om aan [eiser] als schadevergoeding te betalen een bedrag van € 2.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding,
5.4.  veroordeelt Stichting VHL om aan [eiser] het achterstallige loon over de periode van 17 tot en met 21 november 2008 te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 lid 1 BW, te rekenen vanaf de gebruikelijke betaaldag tot aan de dag der algehele voldoening,
5.5.  veroordeelt Stichting VHL in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.155,44,
5.6.  verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.  wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B. de Jonge op 15 januari 2009.

 

 

Bel 0900-123 73 24 indien u vragen heeft over schorsing docent

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 


Aftopping ontslagvergoeding op de lange baan

De Tweede Kamer heeft besloten het het plan om de ontslagvergoeding bij inkomens vanaf 75.000 euro te maximeren tot één jaarsalaris controversieel te verklaren en niet meer te behandelen.

Alleen D66 had in de Kamer nog willen praten over het plan, dat is gebaseerd op een akkoord van werkgevers en vakbonden om hun ruzie over versoepeling van het ontslagrecht te beslechten.

Maar PvdA-Kamerlid Roos Vermeij is blij dat het plan van de baan is, omdat iedereen volgens haar betwijfelde of het wel een verbetering was ten opzichte van de huidige praktijk. Zowel voormalig coalitiegenoten CDA, PvdA en ChristenUnie als SP, PVV en GroenLinks hebben van begin af aan geprobeerd het wetsvoorstel van minister Piet Hein Donner (Sociale Zaken) dat het akkoord van sociale partners moest verankeren, tegen te houden. Donner klaagde eerder dit jaar dat het akkoord alweer dateerde van in 2008.

Werkgevers hoopten met het aftoppen van ontslagvergoeding bij inkomens vanaf 75.000 euro de ontslagkosten te drukken. Vakbonden zijn indertijd akkoord gegaan, omdat niet wordt getornd aan de ontslagbescherming van lagere en middeninkomens. Maar de Raad van State waarschuwde voor onrechtvaardige verschillen in de ontslagvergoeding tussen mensen die net boven of onder de grens verdienen.

Bron: www.penoactueel.nl

Gebruikerswaardering: / 2
LaagsteHoogste 

Ontslag bij werk weigeren

Kan een werknemer een redelijke opdracht van zijn werkgever weigeren? Het hof in Amsterdam oordeelde onlangs dat het weigeren om een opdracht uit te voeren de werknemer ontslag op staande voet kan opleveren. Het hardnekkig werk weigeren door de werknemer is volgens het hof een dringende reden voor ontslag op staande voet. Zie hieronder de uitspraak van het hof in Amsterdam.

 

Heeft u met betrekking tot werk weigeren vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mail ons.

 

 

Uitspraak


GERECHTSHOF TE AMSTERDAM ZESDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [werkgever], gevestigd te Leeuwarden, APPELLANTE, advocaat: mr. A.S. Rueb te Amsterdam, t e g e n [Werknemer], wonende te [woonplaats], GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam. 1. Het geding in hoger beroep De partijen worden hierna respectievelijk [werkgever] en [werknemer] genoemd. Bij dagvaarding van 2 januari 2008 is [werkgever] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 3 oktober 2007 van de rechtbank Alkmaar, sector kanton, locatie Alkmaar in deze zaak onder nummer 238318CV EXPL 07-2195 gewezen tussen [werknemer] als eiser en [werkgever] als gedaagde. [Werkgever] heeft bij memorie acht grieven aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende de vorderingen van [geïntimeerde] af zal wijzen met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [werkgever] in de kosten van (naar het hof begrijpt) het hoger beroep. [Werkgever] heeft bij akte een productie in het geding gebracht, [werknemer] heeft daar bij antwoordakte op gereageerd. Partijen hebben de zaak op 1 september 2009 doen bepleiten, [werkgever] door mr. E.W. Kingma, advocaat te Heerenveen, die pleitnotities heeft overgelegd, [werknemer] door mr. J.S. Dallinga, advocaat te Alkmaar. [Werkgever] heeft bij gelegenheid van de pleidooien producties in het geding gebracht. Ten slotte hebben partijen aan het hof verzocht arrest te wijzen op de stukken van beide instanties. 2. Grieven Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van [werkgever]. 3. Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.6 een aantal feiten vermeld. De juistheid hiervan is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten tot uitgangspunt zal nemen. 4. Beoordeling werk weigeren
4.1. [Werknemer] is op 11 november 1987 bij [E] Engineering Techniek B.V. te IJmuiden in dienst getreden als tekenaar/constructeur. [Werkgever] heeft deze onderneming met ingang van 1 januari 2002 overgenomen. Partijen hebben in januari 2002 een nieuw arbeidscontract ondertekend. Hierin is als functie van [geïntimeerde] vermeld: constructeur, en in artikel 11 is bepaald: “Als de omstandigheden dit vereisen kan werknemer tijdelijk worden gedetacheerd bij een der nevenvestigingen of worden uitgeleend aan derden die hiertoe een verzoek doen.” [Werknemer] is bij [werkgever] werkzaam geweest als assistent projectleider, hoofdzakelijk gedetacheerd bij klanten. Zijn laatstgenoten loon bedroeg € 2.120,- bruto per vier weken exclusief vakantietoeslag. 4.2. Op 16 maart 2006 heeft [werkgever] [werknemer] op ontslagen op grond van de dringende reden het onjuist invullen van weekstaten en het verrichten van nevenwerkzaamheden. Bij brief van 3 mei 2006 heeft [werkgever] het ontslag op staande voet ingetrokken en heeft [hij] [werknemer] een schriftelijke waarschuwing gegeven voor de verweten gedragingen. In mei 2006 heeft [werknemer] zijn werkzaamheden hervat. In juni 2006 is geconstateerd dat binnen [werkgever] te weinig werkzaamheden voor [werknemer] voorhanden waren. Op 13 september 2006 heeft [werknemer] op verzoek van [werkgever] een gesprek gevoerd bij GTI Amsterdam over detachering in de functie van werkvoorbereider. [Werknemer] heeft op 22 september 2006 zijn bezwaren tegen de detachering bij GTI met [X] (commercieel directeur van [werkgever) besproken. Bij brief van 26 september 2006 heeft [werkgever] de opdracht tot het verrichten van de werkzaamheden in detachering gehandhaafd. [Werknemer] heeft bij aan zijn advocaat gerichte brief van 26 september 2006 (tijdens het hierna te noemen gesprek van 2 oktober 2006 aan [werkgever] overhandigd) zijn bezwaren als volgt verwoord: “1e er loopt een zaak tegen [werkgever] waarbij er ruim 6000 euro betaald moet worden, dit moet worden opgelost; 2e wil ik niet weg bij [werkgever] i.v.m. de variatie van de werkzaamheden; 3e werk ik bij een adviseur en niet bij een installateur als zijnde werkvoorbereider; 4e [Werkgever] is geen detacherings bureau, als ik uitgeleend zou willen worden dan had ik zelf wel voor een detachering bureau gekozen; 5e via [E] engineering ben ik 13 jaar uitgeleend uit vrije wil en tegen goede arbeidsvoorwaarden; 6e na overname door [werkgever] ben ik hoofdzakelijk intern aan het werk gewest en werd daar als ondergewaardeerde vreemdeling behandeld (…); 7e na 13 jaar uitgeleend te zijn geweest door de weeks altijd laat thuis niet samen met mijn gezin heb kunnen eten, weet ik nu wat ik gemist heb, mijn kinderen zijn nu op een leeftijd dat ze veel aandacht nodig hebben, die ik ze ook wil geven.” Op 2 oktober 2006 heeft [Y] (Algemeen Directeur van [werkgever]) met [werknemer] gesproken. [Werknemer] heeft zijn bezwaren tegen de detachering bij GTI toegelicht aan de hand van zijn brief van 26 september 2006. Aansluitend aan het gesprek heeft [werknemer] zich ziek gemeld. Bij brief van 4 oktober 2006 heeft [werkgever] [werknemer] tot 10 oktober 2006 de tijd gegeven de detachering alsnog te aanvaarden. Bij brief van [zijn] advocaat van 11 oktober 2006 heeft [werkgever] [werknemer] gewaarschuwd dat indien de detachering niet vóór zaterdag 14 oktober 2006 werd aanvaard ontslag op staande voet zou volgen. [Werknemer] heeft niet op deze brief gereageerd. Bij brief van maandag 16 oktober 2006 heeft [werkgever] voor zover hier van belang het volgende aan [werknemer] bericht: “Op 11 oktober jl. zond ik u (…) een brief waarin ik u verzocht om uw standpunt met betrekking tot de detachering bij een ander bedrijf te wijzigen. Deze brief was een vervolg op een brief van mijn cliënt[e] die u eerder ook al de gelegenheid had gegeven om uw standpunt te herzien.(…) Tot op heden heb ik noch van u noch van uw raadsman iets vernomen. Ik veronderstel derhalve dat u weigert om de u aangeboden werkzaamheden bij GTI Amsterdam te aanvaarden, hoewel dat juridisch gezien naar mijn mening van u kan worden gevergd. Op basis daarvan concludeer ik dat u weigert te voldoen aan een redelijk voorschrift dat u door de werkgever wordt verstrekt. Om die reden wordt de arbeidsovereenkomst met u om een dringende reden met onmiddellijke ingang opgezegd. Hierbij is rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval, met name ook de verwijten die eerder dit jaar aan u zijn geuit in verband met de niet-nakoming van de verbintenissen uit de arbeidsovereenkomst.” [Werknemer] heeft bij brief van 23 oktober 2006 de nietigheid van deze opzegging ingeroepen. Hij heeft bij dagvaarding van 18 december 2006 een voorlopige voorziening tot loondoorbetaling gevorderd. De kantonrechter heeft bij vonnis van 19 februari 2007 deze vordering afgewezen en heeft bij beschikking van dezelfde datum de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden met ingang van 1 maart 2007 onder toekenning van een vergoeding van € 49.608,- bruto. 4.3. [Werknemer] heeft [werkgever] op 27 april 2007 gedagvaard. Hij heeft gevorderd - kort gezegd - dat [werkgever] wordt veroordeeld tot loondoorbetaling vanaf 16 oktober 2006. De kantonrechter heeft de loonvordering toegewezen over het tijdvak van 16 oktober 2006 tot 1 maart 2007. Hiertegen komt [werkgever] in hoger beroep op. 4.4. De grieven 1 tot en met 7 richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter dat op 16 oktober 2006 geen dringende reden voor ontslag op staande voet bestond en dat het bij die brief gegeven ontslag nietig is. Deze grieven zullen gezamenlijk worden behandeld. Grief 8 is gericht tegen de proceskostenveroordeling en mist zelfstandige betekenis. 4.5. Voor de beoordeling van de grieven zal het hof tot uitgangspunt nemen dat het hardnekkig weigeren te voldoen aan een opdracht die, ook al heeft de werknemer daartegen steekhoudende bezwaren, na afweging van het gewicht van deze bezwaren tegen het belang dat de werkgever bij die opdracht heeft als redelijk moet worden aangemerkt, in beginsel een dringende reden oplevert. 4.6. [Werknemer] heeft niet betwist dat [werkgever] vanaf juni 2006 onvoldoende werkzaamheden voor [geïntimeerde] voorhanden had. De in zijn brief van 26 september 2006 door [werknemer] tegen het verrichten van deze werkzaamheden geuite bezwaren richten zich hoofdzakelijk op het moeten verrichten van werkzaamheden op basis van detachering. Aan deze bezwaren moet worden voorbij gegaan aangezien vast staat dat het verrichten van werkzaamheden op basis van detachering tot de bedongen arbeid behoorde en dat [werknemer] tijdens het dienstverband regelmatig (langdurig) bij klanten van [werkgever] gedetacheerd is geweest. [Werkgever] heeft toegelicht dat de werkzaamheden als werkvoorbereider bij GTI Amsterdam grotendeels overeenstemden met het gebruikelijke takenpakket van [werknemer] als assistent projectleider en [werknemer] heeft dit onvoldoende gemotiveerd bestreden. Aan de bezwaren van [werknemer] tegen het ‘intern gericht zijn’ van de functie bij GTI komt minder gewicht toe dan aan het belang van [werkgever] werkzaamheden voor [werknemer] te vinden nu binnen de [werkgever] zelf geen passende werkzaamheden voor [werknemer] voorhanden waren. De bewijsaanbiedingen van [werknemer] kunnen niet tot een andere beslissing met betrekking tot de redelijkheid van de opdracht leiden. 4.7. Alles afwegende is het hof van oordeel dat de opdracht van [werkgever] aan [werknemer] werkzaamheden als werkvoorbereider bij GTI Amsterdam te verrichten redelijk was. Het (hardnekkig) weigeren te voldoen aan deze opdracht wordt onder deze omstandigheden als een dringende reden voor ontslag op staande voet aangemerkt. 4.8. Met betrekking tot de vraag of [werkgever] onverwijld na het ontstaan van de dringende reden heeft opgezegd overweegt het hof als volgt. [Werkgever] is in het gesprek van 22 september 2006 ingegaan op het bezwaar van [werknemer] dat de functie teveel ‘intern gericht’ zou zijn. In het gesprek van 2 oktober 2006 heeft de algemeen directeur van [werkgever] de in de brief van 26 september 2006 neergelegde bezwaren met [werknemer] besproken. Vervolgens heeft [werkgever] aan [werknemer] tweemaal de gelegenheid gegeven de detachering alsnog te aanvaarden (bij brief van 4 oktober 2006 en bij brief van 11 oktober 2006) en heeft [hij] gewaarschuwd dat bij volharding in de weigering ontslag op staande voet zou volgen. [Werkgever] heeft tijdens de pleidooien toegelicht dat voor [hem] - nadat de (tweede) termijn op zaterdag 14 oktober 2006 was verstreken zonder dat [werknemer] had gereageerd - de maat vol was en dat toen van [hem] redelijkerwijze niet meer kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voorduren. De opzegging bij brief van 16 oktober 2006 heeft onverwijld hierna plaatsgevonden. Gevraagd naar een reactie hierop heeft [werknemer] het laatste niet bestreden. Ook het hof gaat er onder deze omstandigheden van uit dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. 4.9. De kantonrechter heeft daardoor ten onrechte het ontslag nietig geoordeeld. De grieven slagen en behoeven geen afzonderlijke bespreking. 5. Slotsom en kosten De slotsom luidt dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd met verwijzing van [werknemer] in de kosten van het geding in beide instanties. 6. Beslissing Het hof: vernietigt het bestreden vonnis; en opnieuw rechtdoende: wijst de vorderingen van [werknemer] af; verwijst [werknemer] in de kosten van het geding in eerste aanleg en begroot deze kosten aan de zijde van [werkgever] op € 800,- wegens salaris; verwijst [werknemer] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van [werkgever] op € 322,80 wegens verschotten en € 2.682,- wegens salaris; verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, A.M.A. Verscheure en W.J. van den Bergh, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2009.

 

Bel: 0900-123 73 24 mail ons bij vragen over werk weigeren

Ook voor onze advocaten in Rotterdam!

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 
Mijn werkgever dreigt met ontslag staande voet in verband met te laat komen. Kan
Via: Gratis Adviseurs

Gebruikerswaardering: / 3
LaagsteHoogste 


Donner past wet collectief ontslag aan

DEN HAAG (ANP) - Minister Piet Hein Donner (Sociale Zaken) past een wet aan om het omzeilen van collectieve ontslagen te voorkomen.

Een woordvoerster van Donner bevestigde dinsdag berichtgeving hierover door Het Financieele Dagblad. Het betekent dat bedrijven bij ontslag van twintig of meer werknemers altijd de vakbonden moeten inlichten, ongeacht de ontslagroute.

In de praktijk gaan steeds meer bedrijven door de crisis failliet. Donner schrijft in antwoord op Kamervragen dat nu recht wordt gedaan aan het doel van de wet om tijdig vakbonden in te schakelen bij voorgenomen collectief ontslag. ,,De vakbonden weten dan wie er op straat komen te staan, ook als het om individuele afspraken tussen werkgever en werknemer gaat'', aldus de woordvoerster.

Deze afspraken vallen nu niet onder de meldingsplicht. Volgens de vakbonden wordt zo de wet melding collectief ontslag omzeild. Het streven is de aangepaste wet op korte termijn in te dienen bij de Tweede Kamer.

 

Bron: http://www.trouw.nl/nieuws/nederland/article2989604.ece/Donner_past_wet_collectief_ontslag_aan.htm

 

Bel: 0900-123 73 24 of mail ons bij vragen over de wet collectief ontslag.

«StartVorige1234VolgendeEinde»
calculator