Categorie >> reorganisatie ontslag
Gebruikerswaardering: / 2
LaagsteHoogste 


Reorganisatie ontslag

Uit onderstaande uitspraak van de kantonrechter te Leeuwarden wordt duidelijk dat ontbinding wegens bedrijfseconomische redenen afgewezen kan worden wanneer de omvang van de reorganisatie en de juistheid van de toepassing daarbij van het afspieglingsbeginsel niet voldoende worden onderbouwd.

Heeft u met betrekking tot reorganisatie ontslag vragen, rechtshulp of ontslag advies nodig, dan kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900-123 73 24 (kantoortijden) of mail ons.
Een eerste telefonisch advies of zaakinschatting is kosteloos.

 

 

RECHTBANK LEEUWARDEN Sector kanton Locatie Leeuwarden zaak-/rolnummer: 195910 VZ VERZ 06-289 beschikking van de kantonrechter d.d. 27 juni 2006 inzake de besloten vennootschap Oostwoud International B.V., hierna te noemen: Oostwoud, gevestigd te Franeker, verzoekster, gemachtigde: mr. J. Egberts, tegen [werknemer], hierna te noemen: [werknemer], wonende te [woonplaats], verweerder. gemachtigde: mr. G.W. Brouwer. Het procesverloop Oostwoud heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 12 mei 2006, verzocht de tussen haar en [werknemer] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van gewichtige redenen in de zin van artikel 7: 685 BW. Het verweerschrift van [werknemer] is binnengekomen op 8 juni 2006. De behandeling ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2006. Motivering betreffende reorganisatie ontslag
1. [werknemer], die geboren is op 14 november 1957, is sedert 3 maart 1980 in dienst bij Oostwoud, laatstelijk in de functie van Fluxlasser/Argon Arc-lasser, tegen een bruto salaris van € 2.148,00 per maand, exclusief 8% vakantietoeslag. 2. Oostwoud heeft gesteld dat ten gevolge van een reorganisatie diverse functies zijn komen te vervallen, waaronder de functie van [werknemer]. Oostwoud heeft een reorganisatienota opgesteld die zij in het bezit heeft gesteld van haar werknemersvertegenwoordiging. Met CNV Bedrijvenbond en FNV Bondgenoten is op 20 april 2006 overeenstemming bereikt over het Sociaal Plan, dat na aanmelding bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werk-gelegenheid de status heeft van een CAO. In verband met aanstaande wijzigingen van het WW-regime zijn in het Sociaal Plan de opzegtermijnen verkort. Ter bepaling van de arbeidsplaatsen die dienen te vervallen is door Oostwoud het afspiegelingsbeginsel gehanteerd per groep uitwisselbare functies, met als peildatum 31 mei 2006, waarbij zoveel mogelijk is aangesloten bij het bepaalde in het Ontslagbesluit. Op grond van deze omstandigheden verzoekt Oostwoud de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 september 2006, waarbij zij een fictieve opzegtermijn van drie maanden in acht heeft genomen. Oostwoud is bereid aan [werknemer] een vergoeding te betalen conform het Sociaal Plan, hetgeen neerkomt op toepassing van de kantonrechtersformule waarbij de correctiefactor c op 0,5 wordt gesteld, ofwel € 35.281,00 bruto. Daarnaast is Oostwoud bereid, eveneens conform het Sociaal Plan, om indien de kantonrechter de arbeidsovereenkomst mocht ontbinden aan [werknemer] een bedrag van € 250,00 exclusief BTW te betalen, als tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand. 3. [werknemer] heeft verweer gevoerd. [werknemer] stelt -samengevat- dat Oostwoud 18 ontbindingsverzoeken heeft ingediend en dat de beoordeling van de bedrijfseconomische noodzaak om de arbeidsovereenkomst met zoveel werknemers te beëindigen beter door de CWI kan gebeuren, welke instantie ook beter is toegerust dan de kantonrechter om te beoordelen of het afspiegelingsbeginsel op juiste wijze is toegepast. [werknemer] verbindt hieraan de conclusie dat het verzoek dient te worden afgewezen. [werknemer] heeft zijn verweer uitvoerig gemotiveerd en de kantonrechter zal daarop -voor zover nodig- bij de beoordeling van het verzoek terugkomen. 4. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod. 5. De kantonrechter overweegt dat Oostwoud in totaal 18 ontbindingsverzoeken heeft ingediend. In vier gevallen is de arbeidsovereenkomst inmiddels ontbonden. De overige 14 verzoeken, waaronder het onderhavige verzoek, zijn gelijktijdig behandeld. Voor al deze verzoeken geldt dat ze zullen worden afgewezen omdat -kort gezegd en hieronder nog nader toegelicht- door Oostwoud de omvang van de reorganisatie en de juistheid van de toepassing daarbij van het afspiegelingsbeginsel onvoldoende is onderbouwd. Gelet hierop behoeft al hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verschillende werknemers thans geen bespreking. 6. Ter onderbouwing van de bedrijfseconomische noodzaak heeft Oostwoud een reorganisatienota overgelegd, in de conclusies waarvan sprake is van het vervallen van 18 arbeidsplaatsen. Niet is gebleken dat deze reorganisatienota de instemming heeft gekregen van de bij de reorganisatie betrokken vakverenigingen. Uit het met die vakverenigingen afgesloten Sociaal Plan blijkt weliswaar dat de bedrijfseconomische noodzaak van de voorgestelde aanpassing van de personeelsorganisatie door alle partijen wordt onderschreven, maar dat over de omvang van die aanpassing tussen die partijen geen overeenstemming is bereikt. Door Oostwoud zijn geen andere stukken overgelegd waaruit de voorgestelde omvang van de uit bedrijfseconomisch oogpunt noodzakelijke aanpassing zou kunnen blijken. De kantonrechter komt derhalve tot de conclusie dat de noodzaak voor Oostwoud om te reorganiseren voldoende aannemelijk is geworden, maar de mate waarin dat dient te gebeuren niet. 7. Zolang niet vaststaat hoeveel (en dus ook welke) arbeidsplaatsen als gevolg van de reorganisatie dienen te vervallen, kan niet met toepassing van het afspiegelingsbeginsel worden vastgesteld van welke werknemers de arbeidsplaats komt te vervallen. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat voldoende aannemelijk is geworden dat de arbeidsplaats van [werknemer] als gevolg van een uit bedrijfseconomisch oogpunt noodzakelijk geachte reorganisatie komt te vervallen, zodat het ontbindingsverzoek, dat niet (mede) op een andere grond is gebaseerd, dient te worden afgewezen. Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog dat hij in de omstandigheden van het geval geen aanleiding vindt om het ontbindingsverzoek niet te beoordelen en om de beoordeling van de gronden waarop het verzoek berust over te laten aan de CWI. Wel zal de kantonrechter bij de beoordeling van de wijze waarop het afspiegelingsbeginsel is toegepast in beginsel het door de CWI ontwikkelde stappenplan, zoals beschreven in de Handleiding afspiegeling algemeen, hanteren. Dit betekent dat ontbindingsverzoeken die (mede) gebaseerd zijn op het afspiegelingsbeginsel, vergezeld dienen te zijn van tenminste de in bedoelde handleiding genoemde gegevens. Het onderhavige verzoek voldoet niet aan dit criterium en de wel overgelegde gegevens hebben vooralsnog onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het afspiegelingsbeginsel in alle gevallen door Oostwoud juist is toegepast. In het bijzonder is onvoldoende duidelijk geworden welke functies al dan niet met elkaar uitwisselbaar zijn. 8. De kantonrechter acht termen aanwezig om de proceskosten tussen partijen te compenseren. Weliswaar heeft Oostwoud conform het Sociaal Plan een tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand aangeboden, maar uit de tekst van het Sociaal Plan volgt dat dit aanbod alleen geldt in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, welke situatie zich thans niet voordoet. Beslissing De kantonrechter: wijst het verzoek af; compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt. Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2006 door mr. P. Schulting, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

Heeft u vragen of rechtshulp nodig met betrekking tot reorganisatie ontslag dan kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900-123 73 24 (kantoortijden) of mail ons.

Gebruikerswaardering: / 1
LaagsteHoogste 

ontslag bedrijfseconomische redenen

In onderstaande uitspraak van de kantonrechter te Leeuwarden worden de verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomsten van 10 personen wegens bedrijfseconomische redenen behandeld. De werkgever kan de financiële noodsituatie niet aannemelijk maken. Ook is er verder geen plan van aanpak overgelegd, waarin wordt aangegeven op welke manier het bedrijf de economische omstandigheden aan gaat pakken. Hierdoor is onduidelijk hoe tot de voorgestelde personeelsreductie met 10 werknemers is gekomen.Tevens is gebleken dat op dit moment sprake is van een stijging in het werkaanbod, als gevolg waarvan met drie ploegen wordt gewerkt en uitzendkrachten zijn aangetrokken. De verzoeken afgewezen.

Heeft u met betrekking tot ontslag bedrijfseconomische redenen vragen of rechtshulp nodig, dan kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900-123 73 24 (kantoortijden) of mail ons. Een eerste telefonisch advies of zaakinschatting is kosteloos.

U kunt ook onze uitgebreide webpagina over ontslag om bedrijfseconomische redenen bekijken door hier te klikken.

 

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector kanton
Locatie Heerenveen zaak-/rolnummer: 296738 VZ VERZ 09-340
beschikking van de kantonrechter d.d. 30 november 2009
inzake
de besloten vennootschap Glashandel [verzoekster] B.V.,
hierna te noemen: [verzoekster],
gevestigd te [plaats],
verzoekster,
gemachtigde: mr. V.M.J. Both,
tegen
[werknemer],
hierna te noemen: [werknemer],
wonende te [woonplaats],
verweerder,
gemachtigde: mr. M.J. de Nooij.
Het procesverloop
[verzoekster] heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 13 oktober 2009, verzocht de tussen haar en [werknemer] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van gewichtige redenen in de zin van artikel 7: 685 BW.
Het verweerschrift van [werknemer] is binnengekomen op 3 november 2009.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 november 2009. Van het verhandelde zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. Van de zijde van [verzoekster] zijn nog producties in het geding gebracht. Beide gemachtigden hebben het standpunt van hun cliënt(e) toegelicht aan de hand van pleitnotities.
Motivering ontslag bedrijfseconomische redenen
1. [werknemer] is sedert 18 mei 1992 in dienst bij [verzoekster], laatstelijk in de functie van glaszetter, tegen een bruto salaris van € 2.170,-- per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. [werknemer] is 49 jaar oud.
Het standpunt van [verzoekster]
2.1. [verzoekster] heeft gesteld dat door de economische crisis in de bouw het volume aan orders bij haar snel terugloopt en dat de vooruitzichten voor de komende jaren een verdere daling laten zien. Als gevolg daarvan staan de prijzen zwaar onder druk en is het op dit moment niet of nauwelijks mogelijk winstgevende werken binnen te halen. Dit heeft er toe geleid dat de omzet over 2009 met circa 20% is gedaald en dat de onderneming van [verzoekster] in haar geheel zwaar verliesgevend is. [verzoekster] stelt dat een reorganisatie en de daarbij behorende personeelsreductie onvermijdelijk zijn. [verzoekster] heeft ter onderbouwing van haar stellingen een accountantsrapport d.d. 12 oktober 2009 van Van der Veen & Kromhout Accountants overgelegd. Hieruit blijkt dat in 2009 naar verwachting een verlies van € 717.000,-- zal worden geleden en dat de vooruitzichten voor 2010 en de daarop volgende jaren slecht zijn. Tevens heeft [verzoekster] de jaarcijfers over 2007 en 2008 in het geding gebracht. Het jaar 2007 is afgesloten met een kleine winst en 2008 is een goed jaar geweest. De winst over 2008 (€ 359.610,--) is inmiddels teniet gedaan door het te verwachten verlies over 2009: tot en met september was dit reeds € 471.966,--. Het eigen vermogen is geslonken van € 743.788,-- per 31 december 2008 tot € 271.128,-- per 30 september 2009. Daarnaast heeft [verzoekster] financiële gegevens van het moederbedrijf L. [verzoekster] Holding B.V. in het geding gebracht. Op het eigen vermogen van de holding moeten de verliezen van [verzoekster] en haar zustermaatschappij V&B in mindering worden gebracht.
2.2. [verzoekster] heeft geen ondernemingsraad. [verzoekster] heeft op 8 oktober 2009 de betrokken vakbonden (CNV en FNV) uitgenodigd voor een gesprek. Omdat publicatie in de pers dreigde van de financiële problemen bij [verzoekster], heeft [verzoekster] op 12 oktober 2009 de ontbindingsverzoeken ingediend en vervolgens het personeel ingelicht. Het gesprek met de vakbonden op 20 oktober 2009 heeft niet geleid tot wijziging van het voornemen van [verzoekster] de arbeidsovereenkomst met tien werknemers te beëindigen, tot het aanbieden van een afvloeiingsregeling of tot het maken van een sociaal plan.
[verzoekster] stelt dat zij diep dient te snijden in de (personeels)kosten. Voor het huidige en het in 2010 te verwachten werkaanbod dient het huidige aantal personeelsleden gereduceerd te worden. [verzoekster] verzoekt dan ook voor tien (van de in totaal bijna 60) werknemers ontbinding van de arbeidsovereenkomst. 2.3. [verzoekster] erkent dat het op dit moment bijzonder druk is. Dit komt door drie grote orders met betrekking tot kantoorpanden die binnenkort opgeleverd worden. Het betreft een tijdelijke opleving; eind december zullen deze orders afgewerkt zijn.
2.4. [werknemer] is glaszetter. In deze functiegroep verdwijnen twee arbeidsplaatsen. Op grond van het afspiegelingsbeginsel wordt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [werknemer] verzocht, waarbij het afspiegelingsbeginsel als volgt is toegepast: uit de drie leeftijdsgroepen (25- 35 jaar, 35-45 jaar en 45-55 jaar) met elk één werknemer komen twee werknemers voor ontslag in aanmerking. [verzoekster] heeft ter wille van een evenwichtige leeftijdsopbouw gekozen voor de werknemer uit de jongste categorie en de werknemer uit de oudste categorie. Deze laatste is [werknemer]. Overigens betwist [verzoekster] dat [werknemer] eerder dan 1992 bij haar in dienst is geweest, doch voor anciënniteit is dit niet relevant. 2.5. Op grond van de genoemde omstandigheden verzoekt [verzoekster] de arbeidsovereenkomst met [werknemer] - rekening houdend met de fictieve opzegtermijn - per 1 maart 2010 te ontbinden. Uit het accountantsrapport blijkt dat [verzoekster] niet in staat is aan haar werknemers bij ontbinding van de overeenkomst enige vergoeding te betalen. [verzoekster] heeft een bankkrediet dat op dit moment aan de limiet zit.
2.6. Met betrekking tot de nieuw aangeschafte slijpmachine heeft [verzoekster] aangevoerd dat dit een kostenbesparende maatregel is omdat deze machine een hoger productievolume heeft. Bovendien is de machine aangeschaft op leverancierskrediet.
Met betrekking tot de overname van een bedrijf in Deventer heeft [verzoekster] aangevoerd dat dit geen grote investering betreft, welke bovendien niet door [verzoekster] maar door [verzoekster] Holding B.V. is gedaan. Tevens heeft [verzoekster] er op gewezen dat de beheersvergoeding aan de directeur/aandeelhouder [verzoekster] Holding B.V. is teruggebracht van € 240.000,-- naar € 140.000,--.
Het standpunt van [werknemer]
3.1. [werknemer] heeft verweer gevoerd. [werknemer] stelt dat hij in 1978 werkzaam is geworden voor [verzoekster]. In 1991 heeft hij elders zijn werkzaamheden voortgezet om per 18 mei 1992 - op verzoek van de directeur de heer [verzoekster] zelf - opnieuw bij [verzoekster] in dienst te treden.
3.2. Voorts stelt [werknemer] zich op het standpunt dat uit het indiende verzoek niet blijkt dat er sprake is van een bedrijfseconomische noodzaak tot het noodgedwongen af laten vloeien van werknemers, waaronder [werknemer]. Naast de financiële gegevens van tenminste twee jaren, dient [verzoekster] een weergave te geven van de markt- en afzetontwikkeling in de komende zes maanden alsmede de gevolgen hiervan voor de financiële positie in de nabije toekomst. Daarnaast dient het minimale bezuinigingsbedrag op personeelskosten te worden toegelicht en dienen andere kostenbesparende maatregelen te worden aangegeven. Deze gegevens ontbreken. De overgelegde stukken betreffen conceptstukken waarop geen accountantscontrole is toegepast. Onderaan de overgelegde exploitatiebegroting staat vermeld "uitsluitend voor discussie doeleinden". Aan deze prognose komt dan ook geen enkele waarde toe. Ook is er geen sprake van een structurele werkvermindering: tot op de dag van vandaag zit [werknemer] tot over zijn oren in het werk en ook op andere afdeling geldt code oranje (drukte). Een overzicht van onder handen werk en/of een orderportefeuille ontbreekt. [werknemer] heeft er daarbij nog op gewezen dat [verzoekster] een kapitaalkrachtige moedermaatschappij heeft, te weten [verzoekster] Holding B.V., die financieel dient bij te springen.
3.3. Daarnaast heeft [werknemer] aangevoerd dat [verzoekster] recent een nieuwe CNC machine heeft aangeschaft of wil gaan aanschaffen, waarmee grote bedragen gemoeid zijn. [werknemer] concludeert hieruit dat er in het geheel geen financiële noodzaak is om tot gedwongen ontslagen over te gaan. Bovendien heeft [verzoekster] net een onderneming overgenomen in Deventer. Ook dit pas niet in het plaatje van een financieel noodlijdend bedrijf. 3.4. Met betrekking tot het afspiegelingsbeginsel stelt [werknemer] dat hij niet aan aanmerking dient te komen voor ontslag indien het afspiegelingsbeginsel juist wordt toegepast. Nu zich in iedere leeftijdscategorie (25-35 jaar, 35-45 jaar en 45-55 jaar) één werknemer bevindt, dienen de twee werknemers die het kortst in dienst zijn voor ontslag te worden voorgedragen. [werknemer] is van de drie collega's het langst in dienst.
3.5. Ter zitting heeft [werknemer] nog aangevoerd dat [verzoekster] blijkens het verzoekschrift 59 werknemers in dienst heeft. Op grond van artikel 2 WOR dient [verzoekster] een Ondernemingsraad in te stellen. Het niet raadplegen van de OR moet als een ernstige schending van de WOR worden gezien, op grond waarvan [verzoekster] niet ontvankelijk is in haar ontbindingsverzoek danwel op grond waarvan het verzoek moet worden afgewezen. Ook wanneer er minder dan 50 werknemers in dienst zijn dient [verzoekster] een personeelsvertegenwoordiging in te stellen.
3.6. Voorts heeft [werknemer] aangevoerd dat [verzoekster] geen herplaatsingsinspanningen heeft verricht. 3.7. Voor het geval het verzoek wordt toegewezen, verzoekt [werknemer] om toekenning van een vergoeding conform de kantonrechtersformule met een correctiefactor c= 2, zijnde een bedrag van € 89.056,80. Ook hierbij heeft [werknemer] verwezen naar de kapitaalkrachtige moedermaatschappij.
De beoordeling
4. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.
5. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een financiële noodzaak of van een structurele werk- of omzetvermindering, op grond waarvan tien arbeidsplaatsen dienen te vervallen. Weliswaar geven de door [verzoekster] overgelegde cijfers aan dat over 2009 verlies wordt geleden, doch hieruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat er sprake is van een financiële noodsituatie. Dit klemt temeer nu in 2008 - ook ten opzichte van 2007 - goede resultaten zijn geboekt. Een deugdelijk overzicht van de omzet, kostenposten en resultaten per maand over de laatste drie jaren is niet overgelegd. Bovendien wordt het door [verzoekster] geschetste financiële beeld vertroebeld doordat er in 2009 een dure snijmachine is aangeschaft. Voorts is er geen plan van aanpak waarin wordt aangegeven wat de huidige situatie is, wat de gevolgen van de omzetdaling zijn en op welke wijze [verzoekster] die gevolgen het hoofd wil bieden. Hierdoor is niet duidelijk hoe [verzoekster] tot de voorgestelde personeelsreductie van tien medewerkers is gekomen. Overleg met en advies van een ondernemingsraad of een personeelsvertegenwoordiging ontbreekt. Ook een deugdelijke onderbouwing van de prognose voor 2010 en 2011- anders dan dat er sprake is van een economische crisis waardoor met name de bouwsector wordt getroffen - is niet gegeven. Daarbij komt dat [verzoekster] ter zitting heeft aangegeven dat zij geen langlopende orderportefeuille heeft, maar dat orders vaak op het laatste moment binnengekomen. De kantonrechter vraagt zich dan ook af waar de exploitatiebegroting op gebaseerd is. Bovendien is gebleken dat er op dit moment sprake is van een plotselinge en onverwachte piek in het werkaanbod bij [verzoekster], waardoor er op dit moment met drie ploegen wordt gewerkt en op grond waarvan er op dit moment uitzendkrachten zijn aangetrokken. 6. De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat er op dit moment onvoldoende aanleiding bestaat om de verzoeken tot ontbinding van de overeenkomsten toe te wijzen. Het onderhavige verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [werknemer] zal dan ook worden afgewezen.
7. De kantonrechter acht termen aanwezig om de proceskosten tussen partijen te compenseren.
Beslissing
De kantonrechter:
wijst het verzoek van [verzoekster] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [werknemer] af;
compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Aldus gegeven te Heerenveen en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2009 door mr. R. Giltay, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

Heeft u vragen met betrekking tot ontslag bedrijfseconomische redenen bel ons tijdens kantoortijden op 0900-123 73 24 of mail ons.

calculator