Categorie >> ontslag staande voet
Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 


ontslag onderwijs

Docent krijgt ontslag onderwijs wegens relatie met 17-jarige leerlinge.

Na ontdekking van de relatie door de directeur van de scholengemeenschap waar de docent werkte, diende de docent zijn ontslag in. Later bedacht de docent zich en trok dit ontslag weer in. Hierop ontsloeg de directeur de docent op staande voet met als reden het aangaan van een relatie met een 17-jarige leerlinge. Om zeker van de zaak te zijn stapte de scholengemeenschap ook naar de rechter voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de docent. De docent verweerde zich met de stelling dat er geen seksueel contact was geweest tussen de leerlinge en de docent. Het stond echter vast dat de docent een relatie was aangegaan met de leerlinge en dat hij gewaarschuwd was door de rector van de scholengemeenschap met betrekking tot deze relatie.


De rechter was van mening dat de docent door zijn gedrag in ernstige mate het vertrouwen had geschonden van ouders, leerlingen en de schoolleiding, die professioneel gedrag van een docent verwachten. Ook doordat de docent niets had aangetrokken van de waarschuwing van de rector werd de arbeidsovereenkomst met de docent ontbonden zonder ontslagvergoeding. Zie hieronder de uitspraak.

Heeft u met betrekking tot ontslag onderwijs vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mail ons.

Uitspraak

EA-4923/09
RECHTBANK TE AMSTERDAM, SECTOR KANTON, LOCATIE AMSTERDAM
Beschikking op het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 29 oktober 2009 van:
de stichting “ Onderwijs Stichting Zelfstandige Gymnasia”,
verzoekster
gevestigd te Haarlem
gemachtigde: mr. drs. G.J. Heussen
tegen:
[verweerder]
verweerder,
wonende te [woonplaats]
gemachtigde: mr. B. van Meurs.
Verloop van de procedure
Het verzoekschrift strekt tot voorwaardelijke ontbinding van de hierna te noemen arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, als bedoeld in art. 7:685 van het Burgerlijk Wetboek.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Ter terechtzitting van 1 december 2009 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Gehoord zijn partijen en hun gemachtigden.
Gronden van de beslissing
1. Bij de beoordeling van het verzoek wordt van het volgende uitgegaan.
Verweerder, die 29 jaar oud is, is op 1 augustus 2007 in dienst van verzoekster getreden. Zijn functie is docent economie op het [gymnasium], thans op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een omvang van 0,325 fte. Het salaris bedraagt EUR 1.032,12 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag, toeslagen en eindejaarsuitkeringen.
Verweerder heeft op 29 september 2009 een eerder door hem ondertekende en bij de rector van het [gymnasium] ingediende ontslagbrief ingetrokken.
Daarop heeft de rector verweerder bij brief van 29 september 2009 op staande voet ontslagen. Daarbij werd aan gedaagde als dringende reden opgegeven, dat hij met een minderjarige leerlinge van de school een (seksuele) relatie is aangegaan en heeft onderhouden, daardoor misbruik makend van zijn positie als docent, en een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in titel XIV van het Wetboek van Strafrecht plegend.
Verweerder is tegen dit ontslag op staande voet tijdig in beroep gegaan bij de Commissie van Beroep Voortgezet Onderwijs.
2. Als gewichtige reden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voert verzoekster primair aan dat sprake is van omstandigheden die een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren voor ontslag onderwijs, subsidiair dat sprake is van een verandering in de omstandigheden van dien aard, dat de dienstbetrekking billijkheidshalve zo spoedig mogelijk behoort te eindigen. Verzoekster stelt daartoe dezelfde feiten die aan het verweerder gegeven ontslag ten grondslag zijn gelegd. Voor het geval dat zou worden geoordeeld dat van een dringende reden geen sprake is, stelt verzoekster dat zij ieder vertrouwen in verweerder heeft verloren.
3. Verweerder bestrijdt het verzoek. Hij stelt dat verzoekster misbruik maakt van (proces)recht en bevoegdheid door thans de dringende reden opnieuw ten grondslag te leggen aan het verzoek tot ontbinding. Het oordeel of sprake is van een dringende reden, komt thans toe aan de Commissie van Beroep Voortgezet Onderwijs. Voor het geval dat toch zou worden geoordeeld over de vraag of er sprake is van een dringende reden, stelt verweerder dat dit niet het geval is omdat geen sprake is geweest van sexueel contact en blijkens hetgeen verzoekster heeft aangevoerd dan ook in haar visie geen sprake is van een dringende reden. Verweerder stelt dat het verzoek op de subsidiaire grondslag al evenmin kan worden toegewezen omdat – kort gezegd – er geen reden is voor verlies van vertrouwen in hem en geen sprake is, althans hoeft te zijn, van een verstoorde arbeidsrelatie.
4. Overwogen wordt als volgt. Het standpunt dat in de onderhavige procedure niet kan worden geoordeeld over de door verzoekster aangevoerde dringende reden, vindt geen steun in het recht. Voorts kan niet als juist worden aanvaard het standpunt van verweerder, dat wanneer – zoals hij stelt – geen sprake is geweest van een sexuele relatie ook in de visie van verzoekster niet van een dringende reden kan worden gesproken, nu verzoekster op de door verweerder aangewezen plaats in het verzoekschrift nu juist stelt dat, ook wanneer geen sprake zou zijn geweest van sexueel contact, de dan nog steeds vaststaande feiten inzake de betrekkingen die verweerder met een minderjarige leerling heeft onderhouden een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren.
5. Omtrent die betrekkingen is, mede op grond van de mededelingen van verweerder daarover, komen vast te staan dat verweerder een relatie is aangegaan met een leerlinge, die in de klas zat waaraan verweerder in het schooljaar 2008/2009 en ook in het begin van het schooljaar 2009/2010 les gaf. De relatie is aangegaan nadat de rector in maart 2009 met verweerder had gesproken over diens positie ten aanzien van deze leerlinge, die eerder dat jaar 17 was geworden. Bij die gelegenheid heeft de rector verweerder “ ten sterkste” aangeraden om geen privé-afspraken te maken die hem in de omstandigheid brengen dat hij met deze leerlinge alleen is. Vast staat ook, mede op grond van de voorstelling van zaken die verweerder bij brief van 17 oktober 2009 aan de rector heeft gegeven, dat verweerder met de leerlinge contact is blijven houden, bestaande uit e-mails, sms’jes, chatten en bellen, en ook bezoekjes van de leerlinge aan verweerder bij de instelling waar verweerder een promotieplaats heeft. Vast staat ook, dat in de zomervakantie van 2009 verweerder en de leerlinge elkaar veelvuldig hebben ontmoet, waarbij verweerder de leerlinge ook bij hem thuis heeft ontvangen. In die zomer sloeg, in de woorden van verweerder, de vriendschappelijke relatie om in een liefdesrelatie. In die zomer heeft verweerder de leerlinge ook elders in het land bezocht en heeft hij de nacht bij haar doorgebracht.
6. Geoordeeld wordt dat verweerder door deze gedragingen in ernstige mate het vertrouwen heeft geschonden dat ouders en leerlingen mogen hebben in professioneel gedrag van een docent en het vertrouwen dat de schoolleiding mag hebben dat een docent voldoende afstand houdt tot leerlingen onwaardig is geworden, te meer waar verweerder de waarschuwing van de schoolleiding zich niet in situaties te begeven waarin hij met de leerlinge alleen zou zijn, in de wind heeft geslagen. Dit heeft tot gevolg dat van verzoekster redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij deze stand van zaken behoort de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve te eindigen met ingang van 12 december 2009. Voor een vergoeding is geen grond.
7. Gezien het voorwaardelijk karakter van de onderhavige procedure zullen de kosten van het geding worden verrekend als hierna zal worden bepaald.
Beslissing
De arbeidsovereenkomst wordt voorwaardelijk, voor het geval dat deze tussen partijen bestaat, ontbonden met ingang van 11 december 2009.
Partijen dragen ieder de eigen proceskosten.
Gegeven door mr. R.A.J. van der Linde, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

 

Bel 0900-123 73 24 indien u vragen heeft over ontslag onderwijs

 

 

 

Gebruikerswaardering: / 2
LaagsteHoogste 

Ontslag bij werk weigeren

Kan een werknemer een redelijke opdracht van zijn werkgever weigeren? Het hof in Amsterdam oordeelde onlangs dat het weigeren om een opdracht uit te voeren de werknemer ontslag op staande voet kan opleveren. Het hardnekkig werk weigeren door de werknemer is volgens het hof een dringende reden voor ontslag op staande voet. Zie hieronder de uitspraak van het hof in Amsterdam.

 

Heeft u met betrekking tot werk weigeren vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mail ons.

 

 

Uitspraak


GERECHTSHOF TE AMSTERDAM ZESDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [werkgever], gevestigd te Leeuwarden, APPELLANTE, advocaat: mr. A.S. Rueb te Amsterdam, t e g e n [Werknemer], wonende te [woonplaats], GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam. 1. Het geding in hoger beroep De partijen worden hierna respectievelijk [werkgever] en [werknemer] genoemd. Bij dagvaarding van 2 januari 2008 is [werkgever] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 3 oktober 2007 van de rechtbank Alkmaar, sector kanton, locatie Alkmaar in deze zaak onder nummer 238318CV EXPL 07-2195 gewezen tussen [werknemer] als eiser en [werkgever] als gedaagde. [Werkgever] heeft bij memorie acht grieven aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende de vorderingen van [geïntimeerde] af zal wijzen met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [werkgever] in de kosten van (naar het hof begrijpt) het hoger beroep. [Werkgever] heeft bij akte een productie in het geding gebracht, [werknemer] heeft daar bij antwoordakte op gereageerd. Partijen hebben de zaak op 1 september 2009 doen bepleiten, [werkgever] door mr. E.W. Kingma, advocaat te Heerenveen, die pleitnotities heeft overgelegd, [werknemer] door mr. J.S. Dallinga, advocaat te Alkmaar. [Werkgever] heeft bij gelegenheid van de pleidooien producties in het geding gebracht. Ten slotte hebben partijen aan het hof verzocht arrest te wijzen op de stukken van beide instanties. 2. Grieven Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van [werkgever]. 3. Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.6 een aantal feiten vermeld. De juistheid hiervan is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten tot uitgangspunt zal nemen. 4. Beoordeling werk weigeren
4.1. [Werknemer] is op 11 november 1987 bij [E] Engineering Techniek B.V. te IJmuiden in dienst getreden als tekenaar/constructeur. [Werkgever] heeft deze onderneming met ingang van 1 januari 2002 overgenomen. Partijen hebben in januari 2002 een nieuw arbeidscontract ondertekend. Hierin is als functie van [geïntimeerde] vermeld: constructeur, en in artikel 11 is bepaald: “Als de omstandigheden dit vereisen kan werknemer tijdelijk worden gedetacheerd bij een der nevenvestigingen of worden uitgeleend aan derden die hiertoe een verzoek doen.” [Werknemer] is bij [werkgever] werkzaam geweest als assistent projectleider, hoofdzakelijk gedetacheerd bij klanten. Zijn laatstgenoten loon bedroeg € 2.120,- bruto per vier weken exclusief vakantietoeslag. 4.2. Op 16 maart 2006 heeft [werkgever] [werknemer] op ontslagen op grond van de dringende reden het onjuist invullen van weekstaten en het verrichten van nevenwerkzaamheden. Bij brief van 3 mei 2006 heeft [werkgever] het ontslag op staande voet ingetrokken en heeft [hij] [werknemer] een schriftelijke waarschuwing gegeven voor de verweten gedragingen. In mei 2006 heeft [werknemer] zijn werkzaamheden hervat. In juni 2006 is geconstateerd dat binnen [werkgever] te weinig werkzaamheden voor [werknemer] voorhanden waren. Op 13 september 2006 heeft [werknemer] op verzoek van [werkgever] een gesprek gevoerd bij GTI Amsterdam over detachering in de functie van werkvoorbereider. [Werknemer] heeft op 22 september 2006 zijn bezwaren tegen de detachering bij GTI met [X] (commercieel directeur van [werkgever) besproken. Bij brief van 26 september 2006 heeft [werkgever] de opdracht tot het verrichten van de werkzaamheden in detachering gehandhaafd. [Werknemer] heeft bij aan zijn advocaat gerichte brief van 26 september 2006 (tijdens het hierna te noemen gesprek van 2 oktober 2006 aan [werkgever] overhandigd) zijn bezwaren als volgt verwoord: “1e er loopt een zaak tegen [werkgever] waarbij er ruim 6000 euro betaald moet worden, dit moet worden opgelost; 2e wil ik niet weg bij [werkgever] i.v.m. de variatie van de werkzaamheden; 3e werk ik bij een adviseur en niet bij een installateur als zijnde werkvoorbereider; 4e [Werkgever] is geen detacherings bureau, als ik uitgeleend zou willen worden dan had ik zelf wel voor een detachering bureau gekozen; 5e via [E] engineering ben ik 13 jaar uitgeleend uit vrije wil en tegen goede arbeidsvoorwaarden; 6e na overname door [werkgever] ben ik hoofdzakelijk intern aan het werk gewest en werd daar als ondergewaardeerde vreemdeling behandeld (…); 7e na 13 jaar uitgeleend te zijn geweest door de weeks altijd laat thuis niet samen met mijn gezin heb kunnen eten, weet ik nu wat ik gemist heb, mijn kinderen zijn nu op een leeftijd dat ze veel aandacht nodig hebben, die ik ze ook wil geven.” Op 2 oktober 2006 heeft [Y] (Algemeen Directeur van [werkgever]) met [werknemer] gesproken. [Werknemer] heeft zijn bezwaren tegen de detachering bij GTI toegelicht aan de hand van zijn brief van 26 september 2006. Aansluitend aan het gesprek heeft [werknemer] zich ziek gemeld. Bij brief van 4 oktober 2006 heeft [werkgever] [werknemer] tot 10 oktober 2006 de tijd gegeven de detachering alsnog te aanvaarden. Bij brief van [zijn] advocaat van 11 oktober 2006 heeft [werkgever] [werknemer] gewaarschuwd dat indien de detachering niet vóór zaterdag 14 oktober 2006 werd aanvaard ontslag op staande voet zou volgen. [Werknemer] heeft niet op deze brief gereageerd. Bij brief van maandag 16 oktober 2006 heeft [werkgever] voor zover hier van belang het volgende aan [werknemer] bericht: “Op 11 oktober jl. zond ik u (…) een brief waarin ik u verzocht om uw standpunt met betrekking tot de detachering bij een ander bedrijf te wijzigen. Deze brief was een vervolg op een brief van mijn cliënt[e] die u eerder ook al de gelegenheid had gegeven om uw standpunt te herzien.(…) Tot op heden heb ik noch van u noch van uw raadsman iets vernomen. Ik veronderstel derhalve dat u weigert om de u aangeboden werkzaamheden bij GTI Amsterdam te aanvaarden, hoewel dat juridisch gezien naar mijn mening van u kan worden gevergd. Op basis daarvan concludeer ik dat u weigert te voldoen aan een redelijk voorschrift dat u door de werkgever wordt verstrekt. Om die reden wordt de arbeidsovereenkomst met u om een dringende reden met onmiddellijke ingang opgezegd. Hierbij is rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval, met name ook de verwijten die eerder dit jaar aan u zijn geuit in verband met de niet-nakoming van de verbintenissen uit de arbeidsovereenkomst.” [Werknemer] heeft bij brief van 23 oktober 2006 de nietigheid van deze opzegging ingeroepen. Hij heeft bij dagvaarding van 18 december 2006 een voorlopige voorziening tot loondoorbetaling gevorderd. De kantonrechter heeft bij vonnis van 19 februari 2007 deze vordering afgewezen en heeft bij beschikking van dezelfde datum de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden met ingang van 1 maart 2007 onder toekenning van een vergoeding van € 49.608,- bruto. 4.3. [Werknemer] heeft [werkgever] op 27 april 2007 gedagvaard. Hij heeft gevorderd - kort gezegd - dat [werkgever] wordt veroordeeld tot loondoorbetaling vanaf 16 oktober 2006. De kantonrechter heeft de loonvordering toegewezen over het tijdvak van 16 oktober 2006 tot 1 maart 2007. Hiertegen komt [werkgever] in hoger beroep op. 4.4. De grieven 1 tot en met 7 richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter dat op 16 oktober 2006 geen dringende reden voor ontslag op staande voet bestond en dat het bij die brief gegeven ontslag nietig is. Deze grieven zullen gezamenlijk worden behandeld. Grief 8 is gericht tegen de proceskostenveroordeling en mist zelfstandige betekenis. 4.5. Voor de beoordeling van de grieven zal het hof tot uitgangspunt nemen dat het hardnekkig weigeren te voldoen aan een opdracht die, ook al heeft de werknemer daartegen steekhoudende bezwaren, na afweging van het gewicht van deze bezwaren tegen het belang dat de werkgever bij die opdracht heeft als redelijk moet worden aangemerkt, in beginsel een dringende reden oplevert. 4.6. [Werknemer] heeft niet betwist dat [werkgever] vanaf juni 2006 onvoldoende werkzaamheden voor [geïntimeerde] voorhanden had. De in zijn brief van 26 september 2006 door [werknemer] tegen het verrichten van deze werkzaamheden geuite bezwaren richten zich hoofdzakelijk op het moeten verrichten van werkzaamheden op basis van detachering. Aan deze bezwaren moet worden voorbij gegaan aangezien vast staat dat het verrichten van werkzaamheden op basis van detachering tot de bedongen arbeid behoorde en dat [werknemer] tijdens het dienstverband regelmatig (langdurig) bij klanten van [werkgever] gedetacheerd is geweest. [Werkgever] heeft toegelicht dat de werkzaamheden als werkvoorbereider bij GTI Amsterdam grotendeels overeenstemden met het gebruikelijke takenpakket van [werknemer] als assistent projectleider en [werknemer] heeft dit onvoldoende gemotiveerd bestreden. Aan de bezwaren van [werknemer] tegen het ‘intern gericht zijn’ van de functie bij GTI komt minder gewicht toe dan aan het belang van [werkgever] werkzaamheden voor [werknemer] te vinden nu binnen de [werkgever] zelf geen passende werkzaamheden voor [werknemer] voorhanden waren. De bewijsaanbiedingen van [werknemer] kunnen niet tot een andere beslissing met betrekking tot de redelijkheid van de opdracht leiden. 4.7. Alles afwegende is het hof van oordeel dat de opdracht van [werkgever] aan [werknemer] werkzaamheden als werkvoorbereider bij GTI Amsterdam te verrichten redelijk was. Het (hardnekkig) weigeren te voldoen aan deze opdracht wordt onder deze omstandigheden als een dringende reden voor ontslag op staande voet aangemerkt. 4.8. Met betrekking tot de vraag of [werkgever] onverwijld na het ontstaan van de dringende reden heeft opgezegd overweegt het hof als volgt. [Werkgever] is in het gesprek van 22 september 2006 ingegaan op het bezwaar van [werknemer] dat de functie teveel ‘intern gericht’ zou zijn. In het gesprek van 2 oktober 2006 heeft de algemeen directeur van [werkgever] de in de brief van 26 september 2006 neergelegde bezwaren met [werknemer] besproken. Vervolgens heeft [werkgever] aan [werknemer] tweemaal de gelegenheid gegeven de detachering alsnog te aanvaarden (bij brief van 4 oktober 2006 en bij brief van 11 oktober 2006) en heeft [hij] gewaarschuwd dat bij volharding in de weigering ontslag op staande voet zou volgen. [Werkgever] heeft tijdens de pleidooien toegelicht dat voor [hem] - nadat de (tweede) termijn op zaterdag 14 oktober 2006 was verstreken zonder dat [werknemer] had gereageerd - de maat vol was en dat toen van [hem] redelijkerwijze niet meer kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voorduren. De opzegging bij brief van 16 oktober 2006 heeft onverwijld hierna plaatsgevonden. Gevraagd naar een reactie hierop heeft [werknemer] het laatste niet bestreden. Ook het hof gaat er onder deze omstandigheden van uit dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. 4.9. De kantonrechter heeft daardoor ten onrechte het ontslag nietig geoordeeld. De grieven slagen en behoeven geen afzonderlijke bespreking. 5. Slotsom en kosten De slotsom luidt dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd met verwijzing van [werknemer] in de kosten van het geding in beide instanties. 6. Beslissing Het hof: vernietigt het bestreden vonnis; en opnieuw rechtdoende: wijst de vorderingen van [werknemer] af; verwijst [werknemer] in de kosten van het geding in eerste aanleg en begroot deze kosten aan de zijde van [werkgever] op € 800,- wegens salaris; verwijst [werknemer] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van [werkgever] op € 322,80 wegens verschotten en € 2.682,- wegens salaris; verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, A.M.A. Verscheure en W.J. van den Bergh, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2009.

 

Bel: 0900-123 73 24 mail ons bij vragen over werk weigeren

Ook voor onze advocaten in Rotterdam!

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 
Mijn werkgever dreigt met ontslag staande voet in verband met te laat komen. Kan
Via: Gratis Adviseurs

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 


Ontslag op staande voet

Het ernstig misdragen van een werknemer tijdens het personeelsfeest kan een grond zijn voor ontslag op staande voet. Zie hieronder de uitspraak van de kantonrechter te Zwolle.

 

Heeft u met betrekking tot ontslag op staande voet vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten en ontslag advocaten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mail ons.

 

R E C H T B A N K Z W O L L E
sector kanton - locatie Zwolle
zaaknr.: 196489 CV 03-987
datum : 2 september 2003
Vonnis in de zaak van:
[X],
wonende te [Woonplaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde mr. M. van Wijk-van den Berg, werkzaam bij CNV Bedrijvenbond te Rheden,
tegen
de besloten vennootschap ERICA BETON B.V.
h.o.d.n. Betonson Lokatie Kampen,
gevestigd te Kampen,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie, verder te noemen: "Betonson",
gemachtigde mr. M.J. Keuss, advocaat te Eindhoven,
rolgemachtigde A. Agterhuis, gerechtsdeurwaarder te Zwolle.
De procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- de dagvaarding van 5 maart 2003
- het antwoord in conventie tevens de eis in reconventie van Betonson
- de repliek in conventie tevens het antwoord in reconventie van [X]
- de dupliek in conventie tevens de repliek in reconventie van Betonson, waarna [X] niet meer heeft gereageerd.
Het geschil
in conventie:
De vordering van [X] strekt er toe dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Betonson zal veroordelen om aan [X] te betalen:
a. zijn loon over de periode van 19 november 2002 tot en met 2 maart 2003 ad € 6.201,67 bruto, zijn vakantiegeld over voornoemde periode ad € 496,13 en 7 niet-genoten vakantiedagen over voornoemde periode ad € 569,31 bruto;
b. de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW over het onder sub a. gevorderde bedrag;
c. de buitengerechtelijke kosten ad 15% over de onder sub a. en b. gevorderde bedragen;
d. de wettelijke rente ex art. 6:119 BW over de onder sub a. tot en met c. gevorderde bedragen, telkens vanaf de vervaldatum tot de dag van de algehele voldoening;
een en ander met veroordeling van Betonson in de kosten van het geding.
Betonson heeft deze vordering bestreden en de afwijzing daarvan bepleit.
in reconventie:
De vordering van Betonson strekt er toe dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. zal verklaren voor recht dat het ontslag op staande voet aan [X] terecht is gegeven;
2. [X] zal veroordelen tot het vergoeden van schade, zulks op basis van de gefixeerde schadeloosstelling, zijnde één maandsalaris ad € 1.910,52 inclusief 8% vakantiegeld;
3. [X] zal veroordelen tot betaling van de wettelijke rente ex art. 6:119 BW over het onder 2. gevorderde bedrag vanaf de vervaldatum tot de dag der algehele voldoening;
met veroordeling van [X] in de kosten van de procedure.
Daartegen heeft [X] verweer gevoerd met conclusie dat de vordering van Betonson zal worden afgewezen, met haar veroordeling in de proceskosten.
Vaststaande feiten betreffende ontslag op staande voet
1.
Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:
a. [X], geboren op [geboortedatum], is per 28 augustus 2000 bij Betonson in dienst getreden. De laatstelijk door hem uitgeoefende functie is productiemedewerker B tegen een maandsalaris van € 1.769,-- bruto exclusief emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is toepasselijk de Cao voor de Betonproduktenindustrie. b. Op zaterdagavond 16 november 2002 heeft Betonson een personeelsfeest gegeven voor al het personeel van haar vier vestigingen in party- annex congrescentrum "Hart van Holland" te Nijkerk. Op dat feest zijn bij benadering ongeveer 800 mensen aanwezig geweest.
c. Bij brief van 18 november 2002 is [X] door Betonson het volgende bevestigd: "Hierbij bevestigen wij dat u met onmiddellijke ingang op staande voet bent ontslagen uit uw dienstbetrekking met Betonson b.v. De dringende reden voor dit ontslag op staande voet is het feit dat u zich tijdens het personeelsfeest van Betonson op zaterdagavond d.d. 16 november jl. op zeer grovelijke wijze hebt misdragen. Het ontslag op staande voet is u heden mondeling meegedeeld (..)"
d. Bij brief van 22 november 2002 heeft [X] de nietigheid van het hem gegeven ontslag op staande voet ingeroepen onder vermelding dat hij reeds had meegedeeld dat hij de wijze waarop hij zich op het personeelsfeest heeft gedragen betreurt, dat hij daarvoor zijn excuses heeft aangeboden en dat een en ander beschouwd dient te worden als een incident.
e. De Coördinator Juridische Zaken van het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) heeft op 8 januari 2003 aan Betonson zijn toestemming onthouden om, voor zover vereist, de arbeidsovereenkomst met [X] op te zeggen, onder overweging - samengevat - dat de gedragingen van [X], gelet op het feit dat zij buiten werktijd en niet direct in relatie staan met de werksituatie, niet zodanig ernstig zijn dat deze een situatie opleveren waarin voortzetting van het dienstverband niet langer tot de mogelijkheden zou behoren en dat een middel als ontslag te prematuur is.
f. [X] heeft bij brief van 31 januari 2003 zijn dienstverband opgezegd tegen 3 maart 2003 onder mededeling dat hij zich tot die datum voor zijn arbeid beschikbaar houdt.
Standpunten van partijen
2.
[X] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat zijn gedragingen op het personeels-feest van Betonson d.d. 16 november 2002 geen ontslag op staande voet rechtvaardigen. Niet alleen heeft Betonson er voor gekozen die avond de alcohol rijkelijk te laten vloeien, het gaat hier om een enkel incident buiten werktijd. Volgens [X] is Betonson dan ook over de periode van 18 november 2002 tot en met 2 maart 2003 het loon met bijkomende vorderingen aan hem verschuldigd. Er is dan ook geen reden voor toewijzing van de door Betonson gevorderde schadeloosstelling.
3.
Betonson heeft de vorderingen bestreden en daartoe aangevoerd dat [X] zich schuldig heeft gemaakt aan zeer onbehoorlijk en onzedelijk gedrag op haar personeelsfeest ondanks herhaalde waarschuwing van leidinggevenden. Dat gedrag bestond onder meer uit excessief drankgebruik, het proberen ten val te brengen van één van de steltlopers van entertainmentgroep "Karimishu", het zodanig hinderlijk en handtastelijk gedragen dat het artiestenduo "Johnny & Sharona" haar optreden voortijdig heeft beëindigd, het ten onrechte bedienen van de geluidsapparatuur, het in reactie op een vermaning beledigen, bedreigen en fysiek bejegenen van een leidinggevende, het met ontbloot bovenlijf rondlopen in de danszaal, het maken van sexuele toespelingen tegenover partners van collega's, het in het kruis betasten van een vrouwelijke collega en het in het openbaar in de danszaal urineren tegen een tafel. Ter onderbouwing daarvan heeft Betonson meerdere verklaringen overgelegd, te weten van [Y], hoofd P&O, [Z], voorman, mw. [A], mw. [B] en mw. [C], magazijnbeheerder. Betonson voert aan dat zij dat gedrag niet behoeft te tolereren nu [X] niet slechts haar goede naam in ernstige mate heeft bedoezeld maar vooral zich onmogelijk heeft gemaakt bij zijn collega's en leidinggevenden en dat het vertrouwen dat [X] genoot op on-herstelbare wijze beschadigd is geraakt. Van haar kon dan ook niet worden gevergd het dienstverband nog langer voort te zetten. Doordat [X] haar een dringende reden tot onmiddellijke beëindiging van het dienstverband heeft gegeven, is [X] de in de artikelen 7:677 jo 680 bedoelde gefixeerde schadeloosstelling verschuldigd, te stellen op één maandsalaris.
De beoordeling ontslag op staande voet
in conventie 4.
Tussen partijen is in debat of [X] gerechtigd is tot salaris met nevenvorderingen over de periode na 18 november 2002 dan wel of Betonson gerechtigd is tot een gefixeerde schadeloosstelling. Het antwoord op die vragen hangt af van het antwoord op de vraag of het op die datum aan [X] wegens wangedrag gegeven ontslag op staande voet terecht is gegeven.
5.
Voorop wordt gesteld dat aan een ontslag op staande voet hoge eisen worden gesteld. Er moet niet alleen beoordeeld worden of er sprake is van een dringende reden, dat ontslag moet ook onverwijld worden gegeven, onder gelijktijdige mededeling van die reden. Of er een dringende reden is, hangt af van de aard en de ernst van de reden en van de overige omstandigheden van het geval, zoals de aard en de duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer daaraan invulling heeft gegeven en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder de gevolgen voor de werknemer van dat ontslag.
6.
Het verweer van [X] dat het ontslag op staande voet van maandag 18 november 2002 niet onverwijld is gegeven aangezien hij die dag heeft gewerkt, faalt. [X] heeft immers niet bestreden dat de volle omvang van zijn gedrag Betonson eerst die maandag 18 november 2002 duidelijk is geworden en dat zijn gedrag vervolgens tot intern beraad heeft geleid. Nu gesteld noch gebleken is dat [X] door deze - beperkte - duur van informatievergaring en intern beraad op enigerlei wijze in zijn belangen is geschaad, staat deze duur niet aan de onverwijldheid van het ontslag in de weg. Onder de gegeven omstandigheden kan derhalve naar het oordeel van de kantonrechter niet worden volgehouden dat Betonson niet met voldoende voortvarendheid te werk is gegaan.
7.
[X] heeft verder bij repliek in conventie bestreden dat hij zich aan wangedrag tegenover de steltloper van de groep "Karimishu", tegenover het zangduo "Johnny & Sharona" en tegenover collega's of partners schuldig heeft gemaakt. [X] heeft eveneens bestreden dat hij publiekelijk heeft geurineerd.
Deze betwisting moet, gelet enerzijds op de door Betonson overgelegde verklaringen en anderzijds op het feit dat [X] in het kader van voormelde CWI-procedure -bij herhaling- heeft aangevoerd niet van die gedragingen te weten vanwege zijn overtollig drankgebruik, als gezocht en niet serieus gemeend worden gepasseerd. 8.
De kantonrechter neemt derhalve de door Betonson aangevoerde gedragingen tot uitgangspunt, waarbij het drankgebruik als excessief dient te worden betiteld nu [X], naar zijn zeggen tijdens de CWI-procedure, niets meer weet van die avond.
9.
Dit gedrag kan bezwaarlijk anders dan als ernstig wangedrag worden aangemerkt. Niet alleen het enkele excessieve drankgebruik van [X] kan worden gelaakt, doch zeker het feit dat hij als gevolg van dat excessieve drankgebruik jegens leidinggevenden, collega's, partners daarvan en anderen op het feest van Betonson iedere norm van gebruikelijke omgang en fatsoen heeft overschreden. In bijzonder geldt daarbij dat het maken van sexuele toespelingen, het in het kruis betasten van een vrouwelijke collega en het publiekelijk urineren in de danszaal, en aldus het tonen van zijn geslachtsdeel, onacceptabel is.
10.
Anders dan [X] betoogt, komt het feit dat het gelaakte gedrag niet is vertoond op de werkplek, niet tijdens werktijd en niet in verband staat met zijn feitelijke werkzaamheden voor Betonson, in de gegeven omstandigheden onvoldoende betekenis toe. Aan [X] kan weliswaar worden toegegeven dat zijn gedrag de kern van de met hem overeengekomen prestatie niet raakt, doch voor zover hij meent dat zijn gedrag om die reden geen gevolgen kan en mag hebben voor zijn arbeidsrelatie met Betonson, is dat onjuist. Dat wat verder gelegen verband met zijn feitelijke werkzaamheden brengt slechts mee dat in gegeven omstandigheden zeer hoge eisen dienen te worden gesteld aan de dringendheid van de ontslagreden. 10.
Hoewel gesteld noch gebleken is dat Betonson eerder (serieuze) kritiek op [X] heeft gehad, is hetgeen tijdens het personeelsfeest is voorgevallen van zodanige aard dat Betonson zich terecht op het standpunt stelt dat zij geen enkel vertrouwen meer heeft in [X]. Gelet op zijn gedrag en het feit dat dit heeft plaatsgehad in het kader van een door Betonson georganiseerde festiviteit in het bijzijn van vele collega's en partners daarvan, moet er van worden uitgegaan dat [X] zich onherstelbaar onmogelijk heeft gemaakt binnen de organisatie van Betonson. Aan voormelde verlangde zeer hoge eisen van dringendheid van de ontslagreden is derhalve naar het oordeel van de kantonrechter voldaan, zodat niet van Betonson gevergd behoefde te worden het dienstverband nog langer voort te zetten. 11.
Anders dan [X] veronderstelt, doet aan het voorgaande niet af dat hij onder invloed verkeerde nu dat voor zijn rekening en risico dient te komen. Het feit dat Betonson alcoholhoudende drank op dat feest liet schenken, doet niets aan [X]s verantwoordelijkheid ter zake af. Het feit tenslotte dat [X] inmiddels zijn excuses voor zijn gedrag heeft aangeboden, staat evenmin aan de dringendheid in de weg.
12.
Nu het ontslag op staande voet geacht wordt terecht te zijn gegeven, bestaat er geen grond voor toewijzing van het loon over de periode van 19 november 2002 tot 3 maart 2003 met nevenvorderingen als door [X] gevorderd. Zijn vorderingen zullen derhalve worden afgewezen.
13.
[X] zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij in de kosten daarvan worden verwezen.
in reconventie
14.
Aan Betonson kan worden toegegeven dat het wettelijk stelsel in beginsel met zich brengt dat de partij die de wederpartij door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven tot ontslag op staande voet jegens die wederpartij schadeplichtig is, en dat de wederpartij dan een gefixeerde schadevergoeding van die partij kan vorderen. Behoudens bijzondere, klemmende en met terughoudendheid te hanteren omstandigheden dient dit in alle gevallen toepassing te vinden. De achtergrond daarvan is dat een arbeidsovereenkomst niet lichtvaardig zonder inachtneming van de daarvoor geldende termijnen behoort te worden beëindigd.
15.
In voornoemd kader overweegt de kantonrechter het volgende. Allereerst is de conclusie gewettigd dat [X]s financiële positie door het ontslag is aangetast. Voorts is gesteld noch gebleken dat er voor [X]s ontslag iets op zijn functioneren bij Betonson aan te merken is geweest. Verder neemt de kantonrechter in aanmerking dat in dit geval gesteld noch gebleken is dat Betonson door het ontslag voor organisatorische problemen is gesteld die (extra) kosten met zich hebben gebracht. Tenslotte geldt dat Betonson haar vordering kennelijk louter heeft ingesteld omdat [X] een vordering jegens haar instelde. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden acht de kantonrechter dan ook het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar indien [X] gehouden zou worden om een schadevergoeding aan Betonson te betalen. De vordering daartoe zal derhalve worden afgewezen. 16.
Betonson zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de kosten daarvan worden verwezen.
De beslissing
De kantonrechter:
in conventie:
- wijst de vorderingen van [X] af; - veroordeelt [X] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Betonson begroot op € 540,00 voor salaris gemachtigde;
in reconventie:

- wijst de vordering van Betonson af
- veroordeelt Betonson in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [X] begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 2 september 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

 

Heeft u met betrekking tot ontslag op staande voet vragen of rechtshulp nodig, dan kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900-123 73 24 (kantoortijden) of mail ons.

Gebruikerswaardering: / 2
LaagsteHoogste 

Ontslag staande voet

Een ontslag staande voet moet onverwijld worden gegeven. Valt een termijn van een week voor de beslissing van het ontslag op staande voet binnen deze onverwijldheid? Uit onderstaande uitspraak van de kantonrechter te Utrecht blijkt dat het afhankelijk van de feiten en omstandigheden is of een termijn van een week voor de beslissing om ontslag op staande voet te geven onverwijld is. Dit is niet het geval wanneer de werknemer al eerder waarschuwing van zijn werkgever heeft gekregen.

Heeft u met betrekking tot ontslag staande voet vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten en ontslag advocaten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mail ons.

Uitspraak:


Verloop van de procedure
[naam eisende partij] heeft een vordering ingesteld.
Dirx heeft geantwoord op de vordering.
[naam eisende partij] heeft voor repliek en Dirx heeft voor dupliek geconcludeerd.
Hierna is uitspraak bepaald.
Het geschil en de beoordeling ontslag staande voet
1.
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de door partijen in het geding gebrachte producties neemt de kantonrechter het volgende als vaststaand aan.
a. Op 16 juli 2003 is [naam eisende partij], geboren op 23 december 1973, bij Dirx in dienst getreden. Zij was laatstelijk werkzaam in de functie van drogisterij manager tegen een loon van € 1.852,96 bruto per vier weken, exclusief 8% vakantietoeslag.
b. Het bedrijfsreglement van Dirx vermeldt onder meer dat tijdens werktijd bedrijfskleding dient te worden gedragen, alsmede dat, met uitzondering van oorbellen, geen zichtbare piercings mogen worden gedragen.
c. Met aangetekende brief van 28 februari 2006 aan [naam eisende partij] bevestigt Dirx dat zij van de leidinggevende van [naam eisende partij] heeft vernomen dat [naam eisende partij] voor de derde maal bedrijfsregels heeft overtreden. Dirx deelt voorts onder meer mede bij een volgende overtreding over te zullen tot ontslag op staande voet.
d. Met aangetekende brief van 1 augustus 2006 aan [naam eisende partij] deelt Dirx onder meer mede dat [naam eisende partij] onder werktijd wederom een neuspiercing heeft gedragen en heeft geaccepteerd dat een medewerker van het filiaal waarvoor zij verantwoordelijk is een neuspiercing onder werktijd heeft gedragen, alsmede dat bij een volgende overtreding van de bedrijfsregels daadwerkelijk overgegaan zal worden tot ontslag op staande voet.
e. Een medewerker van Dirx heeft op 20 maart 2007 gezien dat [naam eisende partij] in haar gewone kleding in de winkel aan het werk was en heeft dit meteen telefonisch doorgegeven.
f. Met brief van 28 maart 2007 aan [naam eisende partij] deelt Dirx onder meer mede dat [naam eisende partij] zich wederom niet aan de bedrijfsregels heeft gehouden door voor sluitingstijd geen bedrijfskleding te dragen, alsmede dat zij in combinatie met de eerdere voorvallen [naam eisende partij] met ingang van 28 maart 2007 op staande voet ontslaat.
g. Met brief van 5 april 2007 heeft [naam eisende partij] de vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet ingeroepen.
h. Dirx heeft het ontslag op staande voet gehandhaafd en bij de eindafrekening aan wettelijke schadevergoeding € 1.852,96 netto ingehouden.
i. Met beschikking van 18 juni 2007 heeft de kantonrechter te Utrecht de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden per 1 juli 2007 met toekenning aan [naam eisende partij] van een vergoeding met factor C=2. Dirx heeft het (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek niet ingetrokken.
2.
[naam eisende partij] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst d.d. 28 maart 2007 nietig is en Dirx zal veroordelen tot betaling aan [naam eisende partij] van:
- het loon ad € 1.852,96 bruto per vier weken, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag over de periode van 28 maart 2007 tot 1 juli 2007;
- de maximale wettelijke verhoging over het achterstallige salaris;
- de wettelijke rente over het loon vanaf 28 maart 2007, alsmede over de wettelijke verhoging tot de dag van voldoening;
- de ingehouden schadevergoeding ad € 1.852,96 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2007 tot de dag van voldoening;
- buitengerechtelijke incassokosten ad € 833,--.
Dit alles met veroordeling van Dirx in de proceskosten.
[naam eisende partij] legt aan haar vordering ten grondslag dat het ontslag op staande voet nietig is omdat het ontbreekt aan een dringende reden. [naam eisende partij] betwist voorts dat de arbeidsovereenkomst onverwijld is opgezegd.
3.
Dirx voert gemotiveerd verweer met conclusie dat de kantonrechter [naam eisende partij] in haar vorderingen niet ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen, alsmede haar zal veroordelen in de proceskosten en zal bepalen dat [naam eisende partij] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn indien en voor zover zij deze kosten niet binnen 14 dagen na het wijzen van vonnis zal hebben voldaan.
Hetgeen Dirx ten verwere aanvoert komt, voor zover vereist, hierna aan de orde.
4.
[naam eisende partij] heeft onweersproken naar voren gebracht dat het management van Dirx er op 21 maart 2007 mee bekend was dat zij op 20 maart 2007 ongeveer 6 minuten voor het einde van de werktijd – zij had zich al omgekleed vanwege een afspraak kort na de werktijd, maar zag dat er nog veel klanten in de winkel waren zodat zij het werk ‘achter de schermen’, zoals opruimen, het afsluiten van de computer en dergelijke, heeft onderbroken om in de winkel nog even bij te springen – in haar eigen kleding klanten heeft geholpen. Door de arbeids-overeenkomst eerst op 28 maart 2007 op te zeggen, heeft Dirx dat niet onverwijld gedaan, aldus [naam eisende partij].
5.
Dirx heeft daartegen aangevoerd dat voor de beoordeling van het wettelijk vereiste van onverwijldheid van belang is op welk moment de persoon die bevoegd is tot het geven van het ontslag op staande voet, en dat is in het onderhavige geval de directie van Dirx, kennis heeft genomen van de dringende reden, alsmede dat een werkgever enig respijt wordt gegund om de werknemer te horen en juridisch advies in te winnen. Volgens Dirrx heeft zij in de dagen die zijn verstreken tussen de gedraging en het ontslag op staande voet met de nodige voortvarendheid gehandeld. Zij voert in dat verband aan dat de kwestie na het opvragen van het personeelsdossier van [naam eisende partij] en het inwinnen van juridisch advies, op 27 maart 2007 aan de directie is voorgelegd, waarop de directie [naam eisende partij] op 28 maart 2007 met haar bevindingen heeft geconfronteerd.
6.
De kantonrechter kan Dirx volgen in haar standpunt dat een werkgever enig respijt wordt gegund om de werknemer te horen en om juridisch advies in te winnen. In het onderhavige geval moet er evenwel van worden uitgegaan dat nu Dirx tot tweemaal toe, zonder enig voorbehoud, aan [naam eisende partij] bij aangetekende brief heeft laten weten bij overtreding van de bedrijfsregels over te zullen gaan tot ontslag op staande voet, Dirx, voordien en sedertdien, voldoende tijd heeft gehad om zich met betrekking tot eventuele uitvoering van dat voornemen van juridisch advies te voorzien. Die tijd had zij daarom niet meer nodig nadat haar de overtreding op 20 of 21 maart 2007 is gebleken. Nu Dirx voorts heeft nagelaten inzicht te verschaffen waarom zij niet terstond de beschikking kon hebben over het personeelsdossier van [naam eisende partij], voor zover dat al het geval is, en evenmin waarom zij tot 27 maart 2007 heeft gewacht om haar directie in te lichten en tot 28 maart 2007 om [naam eisende partij] te horen, treft het verweer van [naam eisende partij] doel. Het ontslag op staande voet is reeds daarom niet rechtsgeldig gegeven, zodat het loon tot 1 juli 2007, door [naam eisende partij] onweersproken begroot op € 6.789,77 bruto, moet worden doorbetaald.
7.
Overigens acht de kantonrechter de omstandigheid dat de onweersproken steeds goed functionerende [naam eisende partij], zes minuten voor sluitingstijd in haar eigen kleding de winkel is ingelopen om haar collega te helpen niet van zodanige aard dat van Dirx niet meer gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, ook niet nu [naam eisende partij] eerder vanwege andere overtredingen van het bedrijfsreglement – het niet telefonisch bereikbaar zijn tijdens ziekte (volgens [naam eisende partij] vanwege een storing bij haar telefoonprovider) en het dragen van een neuspiercing – was gewaarschuwd dat een nieuwe overtreding ontslag op staande voet tot gevolg zou hebben en evenmin gelet op hetgeen Dirx overigens naar voren heeft gebracht.
8.
Dirx heeft geen (subsidiair) verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke verhoging, wettelijke rente en terugbetaling van de ingehouden schadevergoeding. Die vorderingen kunnen daarom eveneens worden toegewezen als na te melden. Dat geldt ook voor de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, welke de kantonrechter niet onredelijk voorkomen.
9.
Dirx zal in de proceskosten worden verwezen.
Beslissing
De kantonrechter:
bepaalt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst d.d. 28 maart 2007 nietig is;
veroordeelt Dirx om aan [naam eisende partij] tegen bewijs van kwijting te betalen € 6.789,77 bruto, vermeerderd met wettelijke verhoging hierover van 50% en vermeerderd met de wettelijke rente over de achterstallige loonbetalingen en verschuldigde wettelijke verhoging vanaf de gebruikelijke vervaldata tot de voldoening;
veroordeelt Dirx om aan [naam eisende partij] tegen bewijs van kwijting te betalen € 2.685,96, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.852,96 vanaf 18 april 2007 tot de voldoening;
veroordeelt Dirx tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [naam eisende partij], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 779,09, waarin begrepen € 500,-- aan salaris gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.A. Walda, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2008.

ontslag advocaat specialisten Bel: 0900 – 123 73 24 of mail ons indien u vragen heeft over ontslag staande voet

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 


alcohol ontslag

Volgens de wet is dronkenschap op het werk reden voor ontslag op staande voet. Is dat in alle gevallen zo? In onderstaande zaak stelde werknemer dat zijn gebruik van alcohol ontslag niet rechtvaardigde. Vanwege een lange en goede staat van dienst zou ontslag op staande voet een te zware sanctie zijn.

Het Gerechtshof was het niet eens met de stelling van werknemer. Het ontslag werd terecht beoordeeld; werknemer had namelijk gezien zijn lange staat van dienst juist beter moeten weten, te meer omdat het personeel eerder per brief is gewezen op de arbeidsrechtelijke consequenties van alcohol op het werk.

 

Heeft u met betrekking tot alcohol ontslag vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mail ons.

Een eerste telefonisch advies of zaakinschatting is kosteloos

 

articles.jpg

De uitspraak (Gerechtshof Amsterdam, 13 januari 2009):

 

inzake [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, advocaat: mr. F.B. Falkena, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Volkerrail Nederland B.V., gevestigd te Vianen, geïntimeerde, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer. 1. Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 29 mei 2008 dat de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna ook te noemen: Volkerrail) als gedaagde in kort geding heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 [appellant] heeft bij exploot van 26 juni 2008 Volkerrail aangezegd van dat vonnis van 29 mei 2008 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Volkerrail voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en heeft hij bewijs aangeboden. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, zonodig onder aanvulling of verbetering van gronden bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, Volkerrail zal veroordelen om aan [appellant] tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het salaris vanaf 7 maart 2008 tot aan 1 juni 2008, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 maart 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van Volkerrail in de kosten van beide instanties. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft Volkerrail de grieven bestreden en bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen dan wel dat de vorderingen aan [appellant] zullen worden ontzegd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties. 2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 3. De vaststaande feiten betreffende alcohol ontslag
3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties dan wel als door de kantonrechter vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast. 3.2 [appellant] is geboren op 22 februari 1960 en is op 28 januari 1980 bij (de rechtsvoorgangster van) Volkerrail in dienst getreden. [appellant] vervulde laatstelijk de functie van monteur B / Leider Werkplek Beveiliger. Zijn brutoloon bedroeg € 2.109,13 bruto per vier weken, exclusief onregelmatigheidstoeslag en vakantiebijslag. 3.3 In de nacht van 23 op 24 september 2000 heeft een collega geconstateerd dat de adem van [appellant] rook naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank. Dit is door de collega aan de leidinggevende gemeld. Naar aanleiding van deze melding heeft een gesprek plaatsgevonden met [appellant]. De inhoud van dit gesprek is bij brief van 12 oktober 2000 aan [appellant] bevestigd. In deze brief staat onder meer: “In de nacht van 23 op 24 september heeft een collega geconstateerd dat uw adem rook naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank op het moment dat u werd ingezet voor de veiligheidsfunctie ‘werktreinbegeleider’. U beaamt dat u inderdaad voorafgaand aan deze nachtdienst alcoholhoudende drank had gedronken. Naar aanleiding van deze melding hebben meerdere collega’s aangegeven dat ze verschillende malen geconstateerd hebben dat uw adem, aan het begin van een dienst, rook naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank. Daarnaast werd aangegeven dat het meerdere malen is voorgekomen dat u na uw dienst onderweg naar huis, in de bedrijfsauto, meerdere flesjes bier dronk. Gelet op het bovenstaande en het feit dat u veiligheidsfuncties vervult en dat het werken aan de railinfra met strenge veiligheidsregels is omgeven, is een eventuele beïnvloeding door gebruik van alcoholische drank absoluut niet toelaatbaar. U ben dan ook nadrukkelijk gewaarschuwd dat indien wordt geconstateerd dat uw adem ruikt naar het inwendig gebruik van alcohol houdende drank dat er direct disciplinaire maatregelen tegen u genomen worden. U geeft aan geen drankprobleem te hebben en gaat op ons aanbod u professioneel te helpen dan ook niet in. (…) Ik wil nogmaals benadrukken dat professionele begeleiding via de arbodienst voor u beschikbaar is.” 3.4 Op 20 juli 2005 heeft Volkerrail een brief aan al haar medewerkers – waaronder [appellant] – gestuurd waarin ondermeer staat: “Wij wijzen erop dat alcoholgebruik of drugsgebruik gedurende de werkzaamheden ontoelaatbaar is en dat u geacht wordt nuchter op het werk te verschijnen. (…) Een medewerker die onder invloed is van alcohol of drugs brengt zijn eigen veiligheid, en die van anderen, ernstig in gevaar. In het geval van alcohol of drugsgebruik zullen vergaande arbeidsrechterlijke maatregelen genomen worden. Indien de bevoegde autoriteit alcoholgebruik op een werk constateert dan kunnen zij het werk ‘stilleggen’. Volker Stevin Rail & Traffic loopt in dat geval ernstige imago- en financiële schade op.” 3.5 Op 6 maart 2008 is [appellant] ‘s avonds tijdens zijn storingsdienst opgeroepen. Bij aanvang van de werkzaamheden is bij [appellant] door de politie een blaastest afgenomen. Deze blaastest was positief, het alcoholpromillage was hoger dan wettelijk toegestaan. Daarop is [appellant] direct geschorst. 3.6 Op 7 maart 2008 heeft naar aanleiding van het op 6 maart 2008 geconstateerde alcoholpromillage bij [appellant] een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] en de [persoon A] en [persoon B] van Volkerrail. Tijdens dit gesprek heeft [appellant] erkend dat hij op 6 maart 2008 vijf glazen bier en twee glazen wijn had gedronken. Naar aanleiding van dit gesprek heeft Volkerrail zich beraden. Uiteindelijk heeft Volkerrail [appellant] bij brief van 7 maart 2008 op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat onder meer: “Zoals bij u bekend is, dan wel op zijn minst geacht wordt bekend te zijn, is het medewerkers niet toegestaan onder invloed van alcohol of andere verdovende middelen het werk aan te vangen dan wel uit te voeren. Ondanks de bekendheid met deze regel heeft u deze regel op 6 maart jl. overtreden en heeft u daarmee onder meer opzettelijk uw collega’s en andere personen in gevaar gebracht. Helaas heeft zich in het verleden eerder een vergelijkbaar incident rond uw persoon voorgedaan, te weten in de nacht van 23 of 24 september 2000. Bij brief van 12 oktober 2000 is u duidelijk te kennen gegeven dat er bij herhaling van uw afwijkend gedrag een maatregel zou worden getroffen. Op ons aanbod destijds om u professionele hulp te bieden bent u overigens niet ingegaan. Ook wijzen wij er op dat iedere medewerker werkzaam bij VolkerRail op 20 juli 2005 een brief heeft ontvangen waarin wij nog eens nadrukkelijk hebben gewezen op het feit dat alcohol en of drugsgebruik gedurende de werkzaamheden ontoelaatbaar is en dat men wordt geacht nuchter op het werk te verschijnen. In deze brief is ook aangegeven dat overtreding van de regels vergaande arbeidsrechtelijke consequenties tot gevolg hebben. Gezien het vorenstaande wist u dat het verboden was en is om onder invloed van alcohol of andere verdovende middelen het werk aan te vangen dan wel uit te voeren.” 3.7 Bij beschikking van 29 mei 2008 is de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en Volkerrail voor zover deze nog bestaat met ingang van 1 juni 2008 ontbonden vanwege een dringende reden. 4. De motivering van de beslissing in hoger beroep over alcohol ontslag
4.1 De eerste vraag die voorligt in dit hoger beroep is of er thans nog sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van [appellant]. Arbeid en loon dienen om in het levensonderhoud te voorzien, daarom ligt het spoedeisend belang in de aard van de vordering van [appellant] besloten. In het kader van de onderhavige spoedprocedure dient verder beoordeeld te worden of voldoende aannemelijk is dat de vorderingen van [appellant] in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. 4.2 Het hof stelt voorop dat, gelet op de ingrijpende gevolgen van een ontslag op staande voet voor de werknemer, de daarvoor door de werkgever opgegeven reden zodanig dringend moet zijn, dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de arbeidsovereenkomst nog langer laat voortduren. Een dringende reden voor de werkgever bestaat ingevolge artikel 7:678 Burgerlijk Wetboek (hierna ook te noemen: BW) in ‘daden, eigenschappen of gedragingen’ van de werknemer die tengevolge hebben dat ‘van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de dienstbetrekking te laten voortduren’. Bij de beoordeling van de vraag óf van zodanige dringende reden sprake is dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend van aard zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst toch gerechtvaardigd is (Hoge Raad 22 februari 2002, JAR 2002, 81). 4.3 De kern van het geschil in hoger beroep is of Volkerrail [appellant] op 7 maart 2008 terecht op staande voet heeft ontslagen. Door Volkerrail zijn aan het ontslag op staande voet de waarschuwing in 2000, de brief uit 2005 en het incident van 6 maart 2008 ten grondslag gelegd. Naar het oordeel van de kantonrechter was het incident van 6 maart 2008 voldoende zwaarwegend om het ontslag op staande voet te rechtvaardigen. 4.4 Tussen partijen staat vast dat [appellant] op 6 maart 2008 tijdens zijn storingsdienst onder invloed van alcohol op de werkplek is verschenen. Uit de blaastest die bij [appellant] is afgenomen bleek het alcoholpromillage hoger te zijn dan wettelijk toegestaan. Eveneens staat tussen partijen vast dat [appellant] wist, mede naar aanleiding van de brief van 20 juli 2005, dat dit in strijd met de binnen Volkerrail geldende regels en/of voorschriften was. Ook staat vast dat het voor [appellant] duidelijk was dat het verbod om onder invloed van alcohol op het werk te verschijnen dient ter voorkoming van onveilige situaties. Ten slotte staat tussen partijen vast dat [appellant] in 2000 een gesprek heeft gehad waarbij hij is geconfronteerd met een aantal constateringen van zijn collega’s dat zijn adem naar het inwendig gebruik van alcohol rook. In dit gesprek is benadrukt dat het verboden is onder invloed van alcohol op het werk te verschijnen. Tevens is [appellant] hulp aangeboden voor zijn alcoholgebruik. Van dit aanbod heeft [appellant] geen gebruik gemaakt. 4.5 [appellant] stelt zich op het standpunt dat zijn overtreding op 6 maart 2008 van het voorschrift niet onder invloed van alcohol op het werk te verschijnen, onvoldoende zwaarwegend is om het ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Daartoe beroept hij zich – kort gezegd – op de navolgende feiten en omstandigheden: de lengte van zijn dienstverband (28 jaren), het goede functioneren gedurende het dienstverband, er heeft zich niet eerder een soortgelijk incident voorgedaan, zijn leeftijd ten tijde van het ontslag op staande voet (48 jaar) en het zou voor [appellant] niet eenvoudig zijn een nieuwe baan te vinden. 4.6 Naar het voorlopig oordeel van het hof kunnen voormelde argumenten [appellant] niet baten, ook niet wanneer deze in onderlinge samenhang worden bezien. 4.7 [appellant] was ten tijde van het ontslag op staande voet 48 jaar en mag mede gelet op zijn lange dienstverband (28 jaren) geacht worden de ernst van de risico’s ter bescherming waartegen het verbod onder invloed van alcohol op de werkplek te verschijnen is gegeven ten volle te onderkennen en zich daar naar te kunnen gedragen. Dit geldt temeer nu [appellant] een functie vervulde waarin hij onder meer verantwoordelijk was voor de veiligheid van anderen. 4.8 In 2000 is [appellant] gewaarschuwd dat het verboden was onder invloed van alcohol op het werk te verschijnen. Volkerrail heeft bovendien met haar brief van 20 juli 2005 haar personeel, onder wie [appellant], schriftelijk op het belang van het alcoholverbod gewezen. In deze brief staat tevens vermeld dat overtreding van het verbod vergaande arbeidsrechtelijke consequenties kan hebben. Volkerrail heeft naar het voorlopig oordeel van het hof met voormelde waarschuwingen voldoende duidelijk en ook voldoende recent het zwaarwichtig belang van de naleving van het onderhavige verbod onder de aandacht van haar werknemers – onder wie [appellant] – gebracht. De omstandigheid dat de gevolgen van een ontslag op staande voet ingrijpend (kunnen) zijn en de door [appellant] aangevoerde persoonlijke omstandigheden leggen in dit geval naar het voorlopig oordeel van het hof onvoldoende gewicht in de schaal om het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig te achten. 4.9 In hoger beroep stelt [appellant] zich – kennelijk – niet meer op het standpunt dat hij op 6 maart 2008 ziek was, althans hij concretiseert zijn bij brief van 21 maart 2008 gedane ziekmelding niet nader en vermeldt ook niet tot welke conclusies deze zou moeten leiden, zodat het of hier verder aan voorbij zal gaan. 4.10 Het voorgaande leidt tot het voorlopig oordeel dat de gedragingen van [appellant] op 6 maart 2008 een dringende reden opleverden voor een ontslag op staande voet. De grieven van [appellant] falen dan ook. Slotsom De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. 5. De beslissing Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep: bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) van 29 mei 2008; veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Volkerrail begroot op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 254,- voor griffierecht; verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. Fokker, I.A. Katz-Soeterboek en M.L. van der Bel, is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2009 en is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. I.A. Katz-Soeterboek.

Bel: 0900 – 123 73 24 of mail ons indien u vragen heeft over alcohol ontslag

 

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 


Staande voet ontslagen

Wanneer de werknemer op staande voet ontslagen wordt, moet de reden zonder verder uitstel worden meegedeeld.

Indien de werkgever bekend wordt met een gedraging van een werknemer die ontslag op staande voet rechtvaardigt, dient de werkgever het ontslag op staande voet ‘onverwijld’, dus zonder uitstel, te geven.

Wacht de werkgever te lang met het ontslag dan houdt het ontslag geen stand. Dit wordt bevestigd in onderstaande uitspraak, waarbij de werkgever 11 dagen wachtte.

Heeft u met betrekking tot op staande voet ontslagen vragen of rechtshulp nodig, dan kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900 -123 73 24 (kantoortijden) of mail ons. Een eerste telefonisch advies of zaakinschatting is kosteloos

 

 

Uitspraak (Gerechtshof ’s-Gravenhage, 15 april 2005):


HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van [1. V.O.F.,], gevestigd te Dordrecht, en haar vennoten: [2. en 3.] appellanten, hierna (ook) te noemen (tezamen en in enkelvoud): [werkgever], procureur: mr. E.A.C. van Kempen, tegen [Werknemer], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: [werknemer], procureur: mr. H.C. Grootveld. Het geding Bij exploot van 6 juni 2003 is [werkgever] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 6 maart 2003 door de rechtbank te Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis (met productie) heeft [werkgever] vijf grieven opgeworpen, die door [werknemer] bij memorie van antwoord zijn bestreden. Partijen hebben de stukken overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. Geen grief of ander bezwaar is gericht tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in de overwegingen 1.2 tot en met 1.7 in het vonnis waarvan beroep, zodat ook het hof van die vaststelling uitgaat. 2. Voorts kan als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, samengevat en voorzover in hoger beroep van belang, van het volgende worden uitgegaan. 2.1 [werknemer] is op 1 juni 1999 bij [werkgever] als verkoper in dienst getreden tegen een salaris van (laatstelijk) € 2.417,49 bruto per maand, exclusief 8 % vakantietoeslag. 2.2 Op 29 mei 2001 heeft [werknemer] in de winkel van [werkgever] van een klant van [werkgever] contant f 7.000,00 ontvangen. 2.3 Op 16 juli 2001 (tijdens de vakantie van [werknemer] ) miste [werkgever] een bedrag van f 7.000,00. Na terugkeer van zijn vakantie op 6 augustus 2001 is [werknemer] aangesproken terzake van voormelde vermissing. [werknemer] heeft op diezelfde dag f 7.000,00 van zijn privé-rekening opgenomen en in het bedrijfspand van [werkgever] geplaatst, opdat het vermiste bedrag ‘teruggevonden’ zou worden. 2.4 De handelwijze van [werknemer] kwam op 7 augustus 2001 aan het licht. [werknemer] gaf toe het bedrag van f 7.000,00 in het bedrijfspand van [werkgever] geplaatst te hebben. Op 7 augustus 2001 heeft [werknemer] zijn werkzaamheden normaal voortgezet. Op 8 augustus 2001 was [werknemer] vrij. Op 9 augustus 2001 heeft [werknemer] weer gewerkt. Ook op 10 augustus 2001 heeft [werknemer] de gehele dag gewerkt. Om 18.00 uur op 10 augustus 2001 heeft [(appellant sub 3 en vennoot van de vof)] [werknemer] (in de stellingname van [werkgever]:) geschorst, (en in de stellingname van [werknemer]:) aangegeven dat [werknemer] een paar dagen op kosten van [werkgever] thuis kon blijven om in zijn nieuwe huis te schilderen alsmede dat [werknemer] zich op 16 augustus 2001 weer op kantoor moest melden. 2.5 [werkgever] heeft op 16 augustus 2001 aan Interseco B.V. opdracht verstrekt een onderzoek in te stellen. In het op 30 augustus 2001 door Interseco B.V. uitgebrachte rapport staat onder meer: “…. Het onderzoek had betrekking op een gepleegde diefstal dan wel verduistering in dienstbetrekking van een geldbedrag groot f 7.000,-, ontdekt op maandag 16 juli 2001 en naar alle waarschijnlijkheid gepleegd op vrijdag 6 juli 2001. Door de opdrachtgever werden een aantal onderzoekshandelingen verricht, ten einde duidelijkheid te verkrijgen omtrent de vermissing van het genoemde geldbedrag. Naar aanleiding van de door hem gedane onderzoeksbevindingen werd op donderdag 16 augustus 2001 contact opgenomen met Interseco B.V. Op genoemde datum vond in de kantoorruimte van [werkgever] een gesprek plaats. ……. Gedurende dit gesprek werd aan Interseco B.V. de navolgende informatie verstrekt: ………Op maandag 6 augustus 2001 werd de heer [werknemer] hierover aangesproken. ….. Op basis van de bevindingen werd de heer [werknemer] op vrijdag 10 augustus 2000 op “non actief “ gesteld, dit in afwachting van een uit te voeren onderzoek.” Direct hier op aansluitend staat in voormeld rapport: “In overleg met de opdrachtgevers werd besloten om in ieder geval met drie medewerkers van [werkgever] in gesprek te gaan.” Als doel van het onderzoek noemt het rapport (onder meer): “[werkgever] te voorzien van de gevraagde juridische bijstand, waarbij door de heren [B] en [appellant sub 3] werd aangegeven dat zij de arbeidsrelatie met de heer [werknemer] niet wilde continueren.” De in het rapport bedoelde gesprekken met medewerkers van [werkgever] vonden blijkens dat rapport plaats op 22 augustus 2001. 2.6 Bij brief van 17 augustus 2001 heeft [werkgever] [werknemer] op staande voet ontslagen. Deze brief houdt, voorzover hier van belang, in: “Hierbij deel ik u mede dat wij Uw schorsing, u aangezegd op 10 augustus 2001, heden omzetten in ontslag op staande voet i.v.m. verduistering van omzetgelden en het feit dat u over deze zaak heeft gelogen.” 2.7 In eerste aanleg vorderde [werknemer], kort gezegd, verklaring voor recht dat het hem gegeven ontslag op staande voet nietig is, veroordeling van [werkgever] tot doorbetaling van loon c.a. en veroordeling van [werkgever] tot terugbetaling aan hem van het bedrag van f 7.000,00. 2.8 De rechtbank wees de gevorderde verklaring voor recht en de veroordeling tot loonbetaling c.a. toe. De beslissing met betrekking tot de vordering tot terugbetaling van f 7.000,00 werd aangehouden. [werknemer] werd op dit punt in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren. 3. Met de grieven komt [werkgever] op tegen het oordeel van de rechtbank dat het aan [werknemer] gegeven ontslag op staande voet nietig is. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. 3.1 Uit de hiervóór in de rechtsoverwegingen 2.2 tot en met 2.6 geschetste en vastgestelde gang van zaken leidt het hof af, dat in de periode tussen enerzijds de ontdekking op 7 augustus 2001 van de handelwijze van [werknemer] dan wel de schorsing van [werknemer], respectievelijk het thuis laten schilderen van [werknemer], op 10 augustus 2001 en anderzijds het ontslag op staande voet van [werknemer] op 17 augustus 2001 door [werkgever] geen onderzoek verricht is naar (de achtergond van) de handelwijze van [werknemer] en dat in die periode [werkgever] evenmin (ten opzichte van de situatie op 7 dan wel 10 augustus 2001:) nieuwe feiten met betrekking tot de handelwijze van [werknemer] bekend zijn geworden. Met Interseco B.V. is eerst op 16 augustus 2001 contact opgenomen en de door Interseco B.V. met drie medewerkers van [werkgever] gevoerde gesprekken hebben pas op 22 augustus 2001 plaatsgevonden. Concrete onderzoekshandelingen zijdens [werkgever] naar de handelwijze van [werknemer] in de bovenbedoelde periode zijn gesteld noch gebleken. Zulks betekent in de omstandigheden van dit geval dat de voor het ontslag op staande voet door [werkgever] op 17 augustus 2001 opgegeven reden niet als onverwijld aan [werknemer] medegedeeld kan worden aangemerkt. Reeds hierop stuiten de grieven af. Deze behoeven derhalve geen verdere bespreking. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het ontslag op staande voet geen stand kan houden. 3.2 Nu [werkgever] niet is opgekomen tegen de hoogte van de door de rechtbank toewijsbaar geoordeelde bedragen, blijft het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, in stand. Hiermee is ook het lot bezegeld van de door [werkgever] in hoger beroep ingestelde vordering tot veroordeling van [werknemer] tot terugbetaling aan [werkgever] van hetgeen [werkgever] op grond van het vonnis reeds voldaan heeft. Nu het geschil met betrekking tot de terugbetaling van f 7.000,00 niet in staat van wijzen is en partijen evenmin eenstemmig verlangd hebben dat het hof dit geschilpunt afdoet, zal het hof het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen en de zaak naar de rechtbank Dordrecht verwijzen ter verdere berechting. [werkgever] heeft als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten te dragen. Beslissing Het hof: -bekrachtigt het vonnis, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, van 6 maart 2003 van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht, gewezen tussen partijen; -verwijst de zaak naar de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht, ter verdere berechting; -wijst het door [werkgever] in hoger beroep gevorderde af; -veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [werknemer] bepaald op € 205,00 voor griffierecht en op € 632,00 voor salaris van de procureur. Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.E. In ’t Velt-Meijer, A.H. de Wild en L.F.A. Husson en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2005 in aanwezigheid van de griffier.

 

Heeft u vragen of rechtshulp nodig met betrekking tot staande voet ontslagen dan kunt u altijd bellen met onze ontslag specialisten op 0900-123 73 24 (kantoortijden) of mail ons.

Ook voor onze advocaten in Rotterdam!

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 


reden ontslag op staande voet

Liegen rechtvaardigt ontslag op staande voet

Dat een leugen tot ontslag op staande voet kan leiden blijkt uit een uitspraak van de Rechtbank te Leeuwarden.

In deze kwestie had de werknemer gelogen over een hotelovernachting voor zijn werk. Omdat werknemer al eerder dubieus gedrag had vertoond en al eerder gewaarschuwd was dat een volgende overtreding tot ontslag zou kunnen leiden, hield de reden ontslag op staande voet stand. Te meer omdat werknemer regelmatig in grote mate van zelfstandigheid werk voor werkgever verricht uit het zicht van werkgever, wat met zich meebrengt dat werkgever moet kunnen vertrouwen op de integriteit van werknemer.

 

Heeft u met betrekking tot reden ontslag op staande voet vragen of rechtshulp nodig, dan kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900 -123 73 24 (kantoortijden) of mail ons. Een eerste telefonisch advies of zaakinschatting is kosteloos.

Bezoek ook onze speciale webpagina over ontslag op staande voet door hier te klikken.

De uitspraak (Rechtbank Leeuwarden, 8 januari 2010):

 


inzake
De besloten vennootschap Mezutec Drachten B.V.,
hierna te noemen: Mezutec,
gevestigd te Drachten,
eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
gemachtigde: mr. A.C. Doorn, D.A.S. Nederlandse Rechtbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,
tegen
[werknemer],
hierna te noemen: [werknemer],
wonende te [woonplaats],
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
procederende met toevoeging,
gemachtigde: mr. T. Martens,
Procesverloop
1. De kantonrechter heeft opnieuw kennis genomen van de gedingstukken waaronder ook het vonnis van deze rechtbank van 28 augustus 2009, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd. De kantonrechter neemt over hetgeen in voormeld vonnis is overwogen en beslist.
1.2. Naar aanleiding van genoemd vonnis heeft op 19 november 2009 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Er is een proces-verbaal opgesteld. Voorts is door Mezutec een conclusie van antwoord in reconventie genomen. Vonnis is bepaald op heden.
Motivering
in conventie en in reconventie
de feiten
2.1. [werknemer] is met ingang van 1 oktober 2001 in dienst getreden van Mezutec. Per 24 augustus 2004 is de arbeidsovereenkomst omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Laatstelijk was [werknemer] werkzaam als storings- en onderhoudsmonteur.
2.2. [werknemer] is op 25 november 2008 op staande voet ontslagen.
2.3. Bij voorlopig oordeel van de kantonrechter te Heerenveen, weergegeven in diens vonnis van 11 maart 2009, is de door [werknemer] ingestelde loonvordering afgewezen en het ontslag op staande voet in stand gelaten.
2.4. Bij beschikking van diezelfde kantonrechter van 11 maart 2009 is de arbeidsovereenkomst voor zover vereist ontbonden met ingang van 11 maart 2009.
standpunt Mezutec Mezutec heeft onder meer het volgende gesteld
2.5. Nu vast staat dat [werknemer] Mezutec een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, is [werknemer] jegens Mezutec schadeplichtig. Mezutec maakt aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding: het loon over de periode 25 november tot en met 30 november 2008 en het loon over de periodes december 2008 en januari 2009. In totaal gaat het daarbij om € 5.578,84 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 november 2008 tot de dag der algehele voldoening. 2.6. Blijkens jurisprudentie maakt de vakantietoeslag onderdeel uit van het begrip 'in geld vastgesteld loon'. Daarbij gaat het voorts om brutoloon en niet om nettoloon.
2.7. Indien [werknemer] aan Mezutec geen dringende reden gegeven zou hebben voor ontslag dan had Mezutec een opzegtermijn te vermeerderen met de aanzegtermijn in acht dienen te nemen; van deze termijn dient bij het berekenen van de gefixeerde schadevergoeding dan ook te worden uitgegaan. 2.8. Voorafgaande aan het gegeven ontslag heeft [werknemer] meerdere officiële waar-schuwingen gekregen, te weten op 12 december 2007 en 31 januari 2008.
2.9. Het loon tot en met de datum van het ontslag op staande voet is betaald. De vakantietoeslag ad € 1.097,13 bruto is ingehouden.
standpunt [werknemer] [werknemer] heeft onder meer het volgende gesteld
2.10. De directe aanleiding voor het gegeven ontslag is dat [werknemer] tijdens een dienstreis samen met een collega een hotelkamer heeft gedeeld in plaats van dat beiden een eigen kamer hebben genomen. Aan Mezutec werden door het betreffende hotel een tweepersoons-kamer alsmede -abusievelijk- alcoholische consumpties in rekening gebracht. Dit heeft Mezutec aanleiding gegeven te veronderstellen, dat [werknemer] bij eerdere hotelovernachtingen ook samen met collega's één kamer heeft gedeeld en het verschil in prijs ter plekke zou hebben geconsumeerd.
2.11. Mezutec weigert het loon over de niet opgenomen vakantiedagen, openstaande verlof- en snipperuren en de vakantietoeslag vanaf 1 juni 2008 aan [werknemer] uit te betalen.
2.12. Het gegeven dat [werknemer] heeft berust in het oordeel van de voorzieningenrechter brengt niet met zich mee dat de aanwezigheid van de door Mezutec gestelde dringende reden zijdens [werknemer] zou vaststaan. [werknemer] wenst in deze bodemprocedure het onverwijld gegeven ontslag aan te vechten.
2.13. [werknemer] betwist dat hij door zijn opzet of schuld aan Mezutec een dringende reden voor ontslag zou hebben gegeven; voor het vorderen van een gefixeerde schadevergoeding is onder die omstandigheden geen plaats. Mezutec is loon aan [werknemer] verschuldigd tot 11 maart 2009.
2.14. De door [werknemer] in acht te nemen opzegtermijn bedraagt ingevolge zijn arbeidsovereenkomst de wettelijke termijn van één maand. De gevorderde gefixeerde schadevergoeding strekt zich derhalve niet verder uit dan over de periode van 25 november tot en met 31 december 2008. De schadevergoeding ziet voorts niet op brutosalaris maar op nettosalaris. Ook het vakantiegeld behoort niet tot die schadevergoeding aangezien dat niet behoort tot het 'in geld vastgesteld loon' als genoemd in artikel 7: 680 lid 1 BW. 2.15. Vanaf 18 oktober 2007 is [werknemer] als gevolg van depressieve klachten en een burn out uitgevallen van zijn werk. Per 15 mei 2008 heeft Mezutec [werknemer] bij het UWV volledig hersteld gemeld. [werknemer] blijft echter klachten houden. [werknemer] had bovendien te kampen met overmatig drankgebruik. Tijdens hotelovernachtingen voor zijn werk nam dat alcoholgebruik soms excessieve vormen aan. Dat gold vooral de overnachtingen in Hotel Centraal te Someren. [werknemer] beloofde zijn echtgenote daar niet meer te zullen overnachten. Niettemin heeft [werknemer] voor zijn werk de nacht van 29 op 30 september 2008 samen met een collega in Hotel Centraal doorgebracht.
2.16. Om te voorkomen dat zijn echtgenote hier weet van zou krijgen deed [werknemer] het aan haar voorkomen dat hij in een hotel te Geldrop de nacht zou doorbrengen. Ook aan Mezutec meldde hij dat hij in Geldrop verbleef. Mezutec ontving echter de rekening van Hotel Centraal te Someren. Per saldo was het verblijf van [werknemer] in Hotel Centraal voor Mezutec overigens voordelig, omdat [werknemer] de kamer met zijn collega deelde, terwijl normaliter ieder een eigen kamer betrekt. De drankrekening ad € 60,-- voor beiden, heeft [werknemer], naar bestendig gebruik, zelf betaald.
2.17. In de ontslagbrief van 25 november 2008 heeft Mezutec onder meer aangegeven:
"Daarbij heeft u, naar vermoed wordt in samenspanning met in het bijzonder Hotel Centraal te Someren, een onjuiste voorstelling van zaken gegeven inzake dergelijke overnachtingen en/of door u genuttigde (alcoholische) consumpties, terwijl genoemd hotel onjuiste c.q. frauduleuze facturen aan cliënte heeft gezonden ter zake van bedoelde overnachtingen/consumpties" 2.18. [werknemer] ontkent echter ten stelligste dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan fraude of oplichting of enig ander misdrijf waardoor hij het vertrouwen van Mezutec onwaardig is geworden.
2.19. De eerdere incidenten waar Mezutec op teruggrijpt, te weten vuurwerkverkoop tijdens het werk en het uitschakelen van de black box, deden zich voor tijdens de periode van [werknemer]s arbeidsongeschiktheid. Deze incidenten zijn hem daarom nauwelijks toe te rekenen.
2.20. De overnachting waar het hier om gaat vond plaats van 29 op 30 september 2008. [werknemer] is echter pas eind november 2008 op deze overnachting aangesproken en is vervolgens op 25 november 2008 ontslagen. Derhalve is het ontslag niet onverwijld gegeven.
2.21. Nu het zodanig gegeven ontslag nietig is en [werknemer] tijdig zijn diensten aan Mezutec heeft aangeboden, is Mezutec in verzuim met het betalen van het salaris vanaf 9 december 2008.
2.22. [werknemer] maakt aanspraak op de wettelijke verhoging over het achterstallige salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente over zowel salaris als verhoging.
De kantonrechter oordeelt over dit geschil als volgt.
in conventie en in reconventie
3.1. Zowel wat de conventionele als de reconventionele vordering betreft staat de vraag centraal of het op 24 november 2008 aan [werknemer] gegeven ontslag rechtmatig is gegeven. Dienaangaande overweegt de kantonrechter het volgende.
3.2. In de ontslagbrief wordt als een van de dringende redenen voor de onverwijlde opzegging genoemd de onjuiste voorstelling van zaken die [werknemer] aan Mezutec heeft gegeven betreffende de overnachting van 29 op 30 september 2008 in Hotel Centraal te Someren en de daar door [werknemer] genuttigde consumpties.
3.3. Op grond van de wederzijds ingenomen standpunten is naar het oordeel van de kantonrechter het volgende komen vast te staan:
i. Voorafgaande aan het incident te Someren kreeg [werknemer] schriftelijke waarschuwingen van Mezutec bij brieven van 13 december 2007 en 31 januari 2008; in de laatste brief is nadrukkelijk aangegeven dat indien er zich opnieuw een incident zou voordoen met betrekking tot [werknemer], een ontslag op staande voet zeker niet is uitgesloten.
ii. [werknemer] en zijn collega [collega] hebben in de nacht van 29 op 30 september 2008 te Someren één hotelkamer gedeeld. De bedrijfsauto liet [werknemer] achter bij een hotel te Geldrop. Mezutec verkeerde op basis van het in de auto aanwezige 'track and trace' systeem daarom in de veronderstelling dat [werknemer] aldaar verbleef. [werknemer] liet zich vervolgens door [collega] vervoeren naar Hotel Centraal te Someren. [werknemer] heeft erkend aan Mezutec te hebben gemeld dat hij in Geldrop verbleef, 'overigens wetende dat Mezutec de rekening van Hotel Centraal zou ontvangen' (verweerschrift [werknemer] nr. 9) iii. Bij factuur van 24 oktober 2008 heeft Hotel Centraal aan Mezutec één tweepersoonskamer en € 60,-- aan alcoholconsumpties in rekening gebracht.
iv. Onweersproken is gebleven dat de werknemers van Mezutec geen hotel-kamer behoefden te delen, aangezien Mezutec gewoon is tevoren voor iedere werknemer een eigen hotelkamer te reserveren. Aan deze feiten verbindt de kantonrechter de volgende overwegingen:
3.4. [werknemer] was een nadrukkelijk gewaarschuwd man die in zijn handel en wandel als werknemer van Mezutec terdege op zijn tellen diende te passen. [werknemer] diende zijn werkzaamheden als monteur regelmatig in grote zelfstandigheid en uit het directe zicht van Mezutec te verrichten. Juist onder dergelijke omstandigheden moet een werkgever van de integriteit van haar werknemer uit kunnen gaan. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [werknemer] tenminste tweemaal dat vertouwen ernstig beschaamd. 3.5. In de eerste plaats heeft [werknemer] zijn werkgever een onjuiste voorstelling van zaken trachten te geven door mee te delen dat hij zou verblijven te Geldrop, terwijl dat in feite te Someren was; om zijn verhaal kracht bij te zetten heeft [werknemer] de bedrijfsauto in Geldrop achtergelaten waardoor gelet op het in de auto aanwezige track and trace systeem Mezutec zou menen dat de auto en logischerwijs ook [werknemer], in Geldrop verbleven.
3.6. Mezutec reserveert voor haar werknemers wanneer deze elders dienen te overnachten steeds éénpersoons hotelkamers. Zonder daartoe opdracht of toestemming voor te hebben gekregen heeft [werknemer] het er in dit geval kennelijk naar geleid dat ter plekke deze boekingen werden omgezet in een boeking voor één tweepersoonskamer. De kantonrechter gaat er vanuit dat overeenkomstig deze wijziging het hotel aan Mezutec heeft gefactureerd, aangezien Mezutec de onderhavige factuur niet in het geding heeft gebracht en zich niet op het standpunt heeft gesteld dat aan haar twee éénpersoonskamers in rekening zijn gebracht.
3.7. Het feit dat Mezutec geen schade heeft gehad door deze gang van zaken en de meegezonden consumptienota niet door haar is betaald, doet er in het geheel niet aan af dat [werknemer] door dit eigenmachtige optreden en de niet onbegrijpelijke vermoedens van zelfverrijking die bij Mezutec daardoor zijn gerezen, een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de toch al niet optimale verhoudingen tussen partijen.
3.8. [werknemer] heeft zich beroepen op het feit dat hij na een periode van ziekte weliswaar hersteld was gemeld maar niettemin bleef lijden onder psychische problemen. Wat hiervan ook zij, de kantonrechter ziet in de aard van handelwijze die aan [werknemer] wordt verweten onvoldoende aanknopingspunten om deze te verbinden met [werknemer]s eventuele psychische klachten of diens moeilijke privé-situatie; door [werknemer] is te weinig gesteld om een dergelijk oorzakelijk verband ook maar enigszins aannemelijk te achten.
3.9. De kantonrechter komt derhalve tot de vaststelling dat er voor Mezutec een dringende reden bestond om bij brief van 25 november 2008 [werknemer] op staande voet ontslag te geven. Onder overneming van de motivering onder 3.5. in het tussen partijen op 11 maart 2009 gewezen vonnis in kort geding, is de kantonrechter voorts van oordeel dat dit ontslag onverwijld is gegeven.
3.10. Gezien het feit dat door zijn verwijtbaar handelen [werknemer] aan Mezutec een dringende reden heeft gegeven de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, is tenminste sprake van schuld bij [werknemer] en is hij deswege jegens Mezutec schadeplichtig.
3.11. Mezutec vordert de in artikel 7: 680 BW genoemde gefixeerde schadevergoeding. Voor berekening van die schadevergoeding is bepalend de termijn waarop de schadeplichtige de arbeidsovereenkomst mocht opzeggen. Onbestreden is dat het in dat geval gaat om een opzeggingstermijn voor [werknemer] van één maand. [werknemer] had derhalve de arbeidsovereenkomst kunnen opzeggen tegen 1 januari 2009, zodat de schadevergoeding zich uitstrekt over de periode vanaf 25 november 2008 tot en met 31 december 2008.
3.12. De schadevergoeding waar het hier om gaat ziet op het bedrag van het in geld vastgesteld loon over de zoëven genoemde periode. Onder loon is in dit verband te verstaan brutoloon te vermeerderen met de vakantietoeslag. Uit de tekst van artikel 7:680 lid 1 BW blijkt namelijk niet dat hier om een ander loonbegrip zou gaan dan het algemene loonbegrip zoals dat in het Burgerlijk Wetboek genoemd wordt in artikel 7: 610 BW en in artikel 7: 617 lid 1 onder a BW. Ook gezien de aard van een gefixeerde schadevergoeding waarbij het juist niet gaat om een schadeberekening in concrete zin, valt niet in te zien waarom dat algemene loonbegrip hier niet dient te worden gehanteerd; onder loon in die betekenis pleegt ook de vakantietoeslag te worden begrepen als (geldelijke) vergoeding voor bedongen arbeid.
3.13. De schadevergoeding door [werknemer] te betalen bedraagt zodoende: 4 x 109,13 bruto (periode 25 november tot en met 30 november 2008) + € 2.364,54 bruto (maand december 2008) te vermeerderen met 8% vakantietoeslag = € 3.025,14 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 november 2008 tot de dag der algehele voldoening.
3.14. Gezien het bovenstaande dient [werknemer] als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van Mezutec te worden veroordeeld, zoals hieronder zal worden aangegeven. in reconventie
3.15. Gezien het hierboven gegeven oordeel eindigt de loonbetalingsverplichting van Mezutec met ingang van 25 november 2008. De loonvordering c.a. als genoemd onder I in de conclusie van eis in reconventie komt derhalve niet voor toewijzing in aanmerking.
3.16. Mezutec erkent vakantietoeslag ad € 1.097,13 bruto te hebben ingehouden, waarbij Mezutec niet heeft betwist dat het hier gaat om de periode vanaf 1 juni 2008 tot einde dienstverband. De vordering van [werknemer] komt over die periode voor toewijzing in aanmerking, te vermeerderen met de wettelijke rente als is gevorderd.
3.17. Aangaande het gevorderde onder III in de conclusie van eis in reconventie, kort gezegd de vergoeding van niet opgenomen verlofuren, heeft Mezutec geen inhoudelijk verweer gevoerd, zodat die vordering voor toewijzing in aanmerking komt.
3.18. Nu [werknemer] in reconventie slechts zeer gedeeltelijk in het gelijk is gesteld ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren in dier voege dat een ieder zijn eigen kosten dient te voldoen; de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten komen om die reden evenmin voor toewijzing in aanmerking.
Beslissing
De kantonrechter:
in conventie: veroordeelt [werknemer] tot betaling aan Mezutec van een bedrag groot € 3.025,14 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 november 2008 tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [werknemer] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Mezutec begroot op € 350,-- (2 punten à € 175,--) wegens salaris en op € 293,98 wegens verschotten;
in reconventie:
veroordeelt Mezutec tot betaling aan [werknemer] van vakantietoeslag over de periode 1 juni 2008 tot 25 november 2008, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt Mezutec tot betaling aan [werknemer] van de loonwaarde van de door hem niet opgenomen vakantiedagen en verlof- en snipperuren tot 25 november 2008 onder overlegging van een deugdelijke specificatie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;
compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in conventie en in reconventie:
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Aldus gewezen door mr. T.K. Hoogslag, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 januari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

Heeft u met betrekking tot reden ontslag op staande voet vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mailen naar info@ontslagspecialist

calculator