Categorie >> arbeidsrecht
Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 

 

Ontslag op staande voet

Het wegnemen van spullen van de werkvloer door de werknemer levert een dringende reden voor ontslag op staande voet op. Ook al zijn de spullen die weg worden genomen nog zo klein. De motivatie hiervoor is dat de werkgever de werknemer te allen tijde moet kunnen vertrouwen. De waarde van de spullen die weg worden genomen speelt geen enkele rol. 

De kantonrechter te Groningen oordeelde over het wegnemen van een pak shag door een werknemer. Deze rechter vindt dat de werkgever voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de hij moet kunnen vertrouwen op de integriteit van zijn werknemers door het vele klanten contact dat zij hebben. 

Zie hieronder de uitspraak van de kantonrechter te Groningen.

 

Heeft u met betrekking tot ontslag op staande voet vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mail ons.


Uitspraak

Locatie Groningen
Zaakrolnummer: 406506 EJ VERZ 09-334
Beschikking van 3 juli 2009
inzake
de stichting Stichting De Hoven,
gevestigd en kantoorhoudende te Onderdendam,
verzoekster, hierna De Hoven te noemen,
gemachtigde mr. G.W. Brouwer,
tegen
G.,
wonende te [adres],
verweerder, hierna G. te noemen,
gemachtigde mr. E.P. Groot.
PROCESGANG
Bij verzoekschrift van 14 mei 2009 is verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden in verband met verandering in de omstandigheden welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst dadelijk dan wel na korte tijd behoort te eindigen.
De mondelinge behandeling is gehouden op 18 juni 2009. Partijen, De Hoven vertegenwoordigd, en hun gemachtigden zijn ter zitting verschenen, waar zij hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen hebben gezet. Van het verhandelde is door de griffier aantekening gehouden.
De uitspraak bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
De feiten
1. G., geboren 7 oktober 1960, is sinds 1 augustus 1984 bij De Hoven als kok in loondienst. Hij verricht zijn werkzaamheden in woonzorgcentrum Alegunda Ilberi in Bedum.
2. Op 12 maart 2009 heeft G. zijn auto van het parkeerterrein naar de leveranciersingang verplaatst en vlak voor het einde van zijn werktijd een krat bier in die auto gezet. Hij heeft zijn leidinggevende Q. nog gezien, maar heeft niet over het kratje bier gerept. Vervolgens heeft hij zich omgekleed. Daarna is hij Q. opnieuw tegengekomen die hem heeft aangesproken met de vraag wat hij aan het doen was.
3. Op 20 maart 2009 heeft De Hoven G. op non actief gesteld.
Het geschil
1. Volgens De Hoven kan niet van haar verlangd worden dat zij de arbeidsrelatie met G. in stand houdt. Zij heeft daartoe aangevoerd dat G. de bedoeling heeft gehad om het krat bier te ontvreemden. G. heeft zijn auto verreden om daar ongezien het krat bier in te kunnen zetten. Hij heeft zijn leidinggevende Q. nog gezien tussen het verrijden van de auto en het wegnemen van het krat bier uit het magazijn of de keuken, maar hij heeft toen niet om toestemming om het krat bier te lenen gevraagd. Bij de tweede ontmoeting met Q., toen het krat bier al in de auto stond, heeft G. evenmin het krat bier ter sprake gebracht, hoewel de eerste vraag van Q. hem daartoe uitnodigde. Pas na de vraag wat hij in de auto had gezet noemde G. het krat bier. Volgens Q. heeft G. het krat bier haastig in de auto gezet en maakte hij een zenuwachtige indruk toen Q. hem aansprak.
Het lenen van goederen is uitzondering en gebeurt altijd met voorafgaande toestemming van de direct leidinggevende. De Hoven is van mening dat zij het vertrouwen in G. is verloren en dat de arbeidsovereenkomst daarom moet worden ontbonden. De gewichtige reden dient primair als een dringende reden te worden gekwalificeerd, subsidiair beschouwt De Hoven dat wat er is gepasseerd als een zodanige verandering van de omstandigheden dat niet van haar kan worden gevergd het dienstverband voort te zetten.
2. G. heeft verweer gevoerd. Hij erkent dat hij een kratje bier in zijn auto heeft gezet, maar hij wilde dit niet stelen. Het gebeurt wel meer dat werknemers zaken van de werkgever kunnen lenen zoals etenswaren, behangtafels en stoomapparaten.
Hij heeft zijn auto bij de achterdeur gezet omdat hij daar iets uit moest halen. Hij heeft Q. gezien, maar heeft vergeten hem aan te spreken over het krat bier. Daarna heeft hij het krat in de auto gezet. Toen hij zich vervolgens had omgekleed en Q. weer tegenkwam, heeft deze hem gevraagd wat hij aan het doen was. Hij heeft toen verteld dat hij een kratje bier had gepakt en heeft Q. gevraagd of dat goed was. Q. antwoordde dat het goed was. Thuis bleek er al bier gehaald te zijn. G. heeft het kratje vervolgens teruggebracht.
Er is dan ook geen reden om hem te ontslaan. Er is ook geen dringende reden, hij wordt nog steeds doorbetaald. Hij verzoekt het verzoek tot ontbinding af te wijzen.
De beoordeling ontslag op staande voet
1. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houd met het bestaan van een opzegverbod.
2. G. heeft toegegeven dat hij zijn auto van het parkeerterrein naar de leveranciersingang heeft verplaatst en daar vervolgens een krat bier in heeft geplaatst. De kantonrechter is van mening dat de lezing van G. dat hij een krat bier wilde lenen en dat hij daarvoor toestemming heeft gekregen van zijn leidinggevende niet geloofwaardig is.
3. G. wist in de eerste plaats dat er toestemming nodig was voor het lenen of gebruik van zaken van De Hoven. G. heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat er wel vaker zaken geleend werden. Ter zitting heeft hij verklaard dat dit alleen een behangtafel of een stoomapparaat betrof en dat hij daar toestemming voor heeft gevraagd en verkregen. Ook voor het meenemen van etenswaren moest toestemming vooraf worden verkregen. Voor de zitting heeft De Hoven een kopie van een brief van een gespreksverslag van 6 juni 2007 overgelegd waaruit volgt dat er artikelen kunnen worden besteld voor de fietscross club (waar G. voorzitter van was) met medeweten van het hoofd algemene dienst en dat er bij deze afgerekend zou moeten worden. G. heeft ter zitting verklaard dat dit één keer is gebeurd, namelijk toen er broodjes voor de fietscross club waren besteld.
Ondanks dat G. wist dat toestemming nodig was voor het meenemen van zaken van De Hoven heeft hij die toestemming niet gevraagd voordat hij het krat bier in zijn auto plaatste.
Hij heeft toegegeven dat hij Q. heeft gezien toen hij de auto al bij de leveranciersingang had gezet. Op dat moment heeft hij niet om toestemming gevraagd. Toen hij zich had omgekleed en Q. opnieuw tegenkwam heeft hij evenmin om toestemming gevraagd.
G. heeft in zijn verweerschrift opgemerkt dat hij bij de tweede ontmoeting met Q. heeft gevraagd of het goed was dat hij een krat bier meenam, maar op de zitting heeft hij verklaard dat hij geen kans heeft gehad om Q. om toestemming te vragen, omdat deze eerst vroeg wat hij met zijn auto bij de leveranciersingang deed en onmiddellijk daarna vroeg wat hij in de auto had gezet. Gezien dit niet consequente verweer gaat de kantonrechter er vanuit dat G. geen toestemming heeft gevraagd (en gekregen), hoewel hij wist dat die toestemming vereist was.
5. G. heeft voldoende gelegenheid gehad om toestemming te vragen om een krat bier mee te nemen. Nadat hij de auto bij de leveranciersingang had neergezet heeft hij Q. gezien. Hij heeft toen niets gezegd over het krat bier maar is zich gaan omkleden. Toen hij daarna Q. opnieuw tegen het lijf liep, heeft hij niet op eigen initiatief het krat bier ter sprake gebracht.
Denkbaar is dat G. niet eens om toestemming heeft willen vragen omdat hij niet heeft tegengesproken dat hij op weg naar huis praktisch langs een winkel komt waar bier te koop is en die nog open was, zodat er ook geen enkele noodzaak was om bier bij De Hoven weg te nemen.
6. De Hoven heeft zich naar het oordeel van de kantonrechter dan ook terecht op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een bewust wegnemen van goederen van De Hoven, anders gezegd van diefstal. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een dringende reden voor ontslag op staande voet dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden, waaronder de persoonlijke omstandigheden van G. Hij is thans 48 jaar oud, hij is bijna 25 jaar bij De Hoven in dienst is en heeft een goede staat van dienst.
Deze omstandigheden wegen echter niet op tegen het belang van De Hoven dat haar personeel onvoorwaardelijk moet kunnen vertrouwen, zeker iemand als G. die in zijn functie vrije toegang heeft allerlei zaken die eigendom zijn van De Hoven.
7. Of G. ook betrokken is geweest bij andere verdwijningen uit het magazijn kan verder in het midden worden gelaten. De Hoven heeft aangevoerd dat er verdenking was ontstaan omdat er vaker goederen uit het magazijn waren verdwenen, hetgeen voor Q. de reden is geweest om scherper op te letten.
8. Dit alles levert dan ook een gewichtige reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst op nu er omstandigheden zijn die een dringende reden voor ontslag op staande voet zouden hebben opgeleverd wanneer de arbeidsovereenkomst om die reden onverwijld zou zijn opgezegd.
9. Omdat de gewichtige redenen worden gevormd door omstandigheden die een dringende reden zouden hebben opgeleverd is er geen ruimte om de ontbinding vergezeld te laten gaan van een vergoeding.
10. Het verzoek tot ontbinding kan dan ook worden toegewezen.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
BESLISSING
De kantonrechter:
1. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen op grond van gewichtige redenen bestaande in een dringende reden per 15 juli 2009.
2. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. van den Noort kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2009 in aanwezigheid van de griffier.

 

Bel voor vragen over ontslag op staande voet naar 0900- 123 73 24.

 

 

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 


schorsing docent

Schorsing docent opgeheven door de rechter.

In onderstaande uitspraak van de rechtbank te Arnhem heft de rechter de schorsing van een docent op. De docent werd na een functioneringsgesprek ontheven van bepaalde taken die hij voorheen uitoefende. Een paar maanden daarna werd hem schriftelijk meegedeeld dat hij in het nieuwe schooljaar van al zijn taken binnen de scholengemeenschap waar hij werkte werd ontheven. De docent diende daartegen bezwaar in en werd daarna gedetacheerd bij een andere scholengemeenschap. De docent stond daar echter niet achter. Daarop reageerde zijn werkgever met een disciplinaire maatregel, schorsing van een week met inhouding van loon. De docent stapte naar de rechter die oordeelde dat de docent niet op onredelijke gronden had geweigerd mee te werken aan de detachering.

 

Heeft u met betrekking tot schorsing docent vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mail ons.

RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 177801 / KG ZA 08-752
Vonnis in kort geding van 15 januari 2009
in de zaak van
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. H. Th. Schravenmade te Maarssenbroek,
tegen
de stichting
STICHTING VAN HALL LARENSTEIN,
gevestigd te Velp,
gedaagde,
advocaat mr. S. Kropman te Nijmegen.
Partijen zullen hierna [eiser] en Stichting VHL genoemd worden.
1.  De procedure
1.1.  Het verloop van de procedure blijkt uit:
-  de dagvaarding
-  de mondelinge behandeling
-  de pleitnota van [eiser]
-  de pleitnota van Stichting VHL.
1.2.  Ten slotte is vonnis bepaald.
2.  De feiten
2.1.  [eiser] heeft een arbeidsovereenkomst met Stichting VHL. [eiser] is werkzaam bij Stichting VHL als docent bij de afdeling Bos en Natuurbeheer (‘BNB’).
2.2.  Op 18 april 2007 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en de opleidingsdirecteur BNB en het interim hoofd P&O van Stichting VHL. In dit gesprek is aan [eiser] het besluit medegedeeld dat hij van bepaalde taken werd ontheven.
Bij brief van 6 juli 2007 heeft de opleidingsdirecteur BNB van Stichting VHL aan [eiser] medegedeeld dat [eiser] met ingang van het schooljaar 2007/2008 van al zijn taken binnen BNB werd ontheven.
2.3.  Op 14 juli 2007 heeft [eiser] bezwaar ingediend bij het College van Bestuur van Stichting VHL tegen de twee besluiten van de opleidingsdirecteur BNB van Stichting VHL om hem van taken te ontheffen.
2.4.  Op 18 juli 2008 heeft Stichting VHL aan [eiser] opgedragen om op basis van detachering te gaan werken bij een andere onderwijsinstelling, het IPC te Schaarsbergen. [eiser] heeft vervolgens medegedeeld aan het IPC en Stichting VHL dat hij een opschorting van de detachering voorstond en niet op de door Stichting VHL aangegeven dag bij het IPC zou aanvangen met de detachering.
Naar aanleiding van de opstelling van [eiser] heeft Stichting VHL besloten disciplinaire maatregelen tegen [eiser] te treffen. In het kader van het opleggen van een maatregel heeft op 11 september 2008 een bespreking plaatsgevonden tussen enerzijds [eiser] en anderzijds de heer [betrokkene 1] en mevrouw [betrokkene 2] namens Stichting VHL. Stichting VHL heeft bij besluit van 10 november 2008 aan [eiser] de sanctie van schorsing opgelegd voor de duur van één week, te weten vanaf 17 november tot en met 21 november 2008, met inhouding van loon over die periode.
2.5.  Op 4 december 2008 heeft de Adviescommissie Heroverweging personeel VHL haar advies vastgesteld met betrekking tot het bezwaar van [eiser] van 14 juli 2007.
In haar advies stelt de commissie vast dat de beslissingen om [eiser] van zijn taken te ontheffen niet op deugdelijke wijze is medegedeeld aan [eiser]. Voorts constateert de commissie dat Stichting VHL geen regeling inzake functioneringsgesprekken of een beoordelingssysteem heeft vastgesteld en dat Stichting VHL niet heeft duidelijk gemaakt welke status het wegnemen van taken bij [eiser] heeft. De commissie stelt ten slotte vast dat geen sprake is geweest van een zorgvuldige beoordeling, alleen al omdat Stichting VHL het beoordelingsgesprek van 18 april 2007 niet op zorgvuldige wijze aan [eiser] was aangekondigd en tevens omdat een objectief beoordelingssysteem ontbrak.
De commissie adviseert het College van Bestuur van Stichting VHL onder meer het volgende:
-  de bestreden beslissingen in te trekken, en
-  zorg te dragen voor een passende rehabilitatie van de heer [eiser], en
-  zorg te dragen voor een zorgvuldige beoordeling van de heer [eiser], met inachtneming van een beoordelingssysteem zoals bedoeld in artikel N-2 van de CAO-HBO.
2.6.  Op 17 december 2008 heeft [eiser] een bezwaarschrift ingediend bij de Commissie van Beroep voor het HBO tegen de opgelegde disciplinaire maatregelen van schorsing en inhouding van loon. Op dit bezwaarschrift heeft de Commissie van Beroep ten tijde van de terechtzitting in het kader van deze voorlopige voorziening nog geen besluit genomen.
3.  Het geschil
3.1.  [eiser] vordert, kort weergegeven:
1.  veroordeling van gedaagde tot het opheffen van de schorsing van 18 april 2007 en het laten verrichten van de bedongen werkzaamheden, bij gebreke van naleving daarvan tot betaling van een dwangsom van € 7.500,- per dag of gedeelte van een dag met een maximum van € 375.000,-;
2.  zodanige voorzieningen te treffen als de rechtbank in goede justitie meent te behoren te treffen, bij gebreke van naleving daarvan tot betaling van een dwangsom van
€ 7.500,- per dag of gedeelte van een dag met een maximum van € 375.000,-;
3.  een voorschot op immateriële schadevergoeding toe te kennen, groot € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding;
4.  gedaagde te gebieden over te gaan tot uitbetaling van het salaris over de periode van 17 november tot en met 21 november, zulks op straffe van een dwangsom ad € 2.000,-;
5.  veroordeling van gedaagde tot voldoening van het verschuldigde salaris over de periode van 17 november 2008 tot en met 21 november 2008, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex 7:625 BW en de wettelijke rente over de som van het verschuldigde salaris en de wettelijke verhoging van het moment waarop het salaris verschuldigd werd;
6.  gedaagde te verbieden een opvolger te benoemen in de reguliere functie van eiser, op straffe van een dwangsom van € 200.000,-;
7.  gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2.  Stichting VHL voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4.  De beoordeling over schorsing docent
4.1.  Met betrekking tot het bezwaarschrift van 18 juli 2007 van [eiser] tegen de beslissingen van de opleidingsdirecteur BNB heeft Stichting VHL ter terechtzitting aangegeven dat zij zich zal neerleggen bij het advies van de Adviescommissie Heroverweging personeel VHL d.d. 4 december 2008 en dit advies zal volgen. Voorts heeft Stichting VHL aangegeven [eiser] tot de werkplek te zullen toelaten en zijn werkzaamheden weer te laten hervatten. Hiervoor heeft zij [eiser] uitgenodigd om op
5 januari 2009 in gesprek te treden over de vraag op welke wijze aan de hervatting van zijn werkzaamheden uitvoering zal worden gegeven.
4.2.  Hoewel Stichting VHL heeft aangegeven [eiser] weer tot de werkplek toe te laten en zijn werkzaamheden weer te laten uitvoeren, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser], mede gelet op de lange duur en aard van het conflict tussen partijen, voldoende belang heeft bij het verkrijgen van de voorziening.
De voorzieningenrechter acht in het licht van de uitlatingen door Stichting VHL de vordering strekkende tot het toelaten tot de werkplek en het laten hervatten van de werkzaamheden, inclusief de gevorderde dwangsom, voor toewijzing vatbaar. [eiser] heeft zijn werkzaamheden sinds 18 april 2007 niet of nauwelijks meer kunnen uitoefenen. Bij de hervatting van de werkzaamheden dient wel rekening te worden gehouden met de wijzigingen in het curriculum en in de organisatie van Stichting VHL die los van het arbeidsconflict met [eiser] hebben plaatsgevonden. Stichting VHL zal daarom worden veroordeeld om [eiser] zo veel als mogelijk is toe te laten tot de werkzaamheden die hij voorafgaand aan 19 april 2007 verrichtte. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om de gevorderde dwangsom te matigen tot € 1.000,- per dag en te maximeren tot
€ 100.000,-.
4.3.  Ten aanzien van het besluit van 10 november 2008 tot het nemen van disciplinaire maatregelen van schorsing en inhouding van loon heeft Stichting VHL zich beroepen op niet-ontvankelijkheid van [eiser], omdat hij beroep heeft ingesteld bij de Commissie van Beroep HBO. Zij stelt dat deze rechtsgang met voldoende waarborgen is omkleed, zodat er geen taak is weggelegd voor de voorzieningenrechter. Dit verweer wordt verworpen.
Op grond van artikel S-2 CAO HBO heeft een werknemer de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de Commissie van Beroep CAO. Een uitspraak van de Commissie van Beroep CAO is bindend voor werknemer en werkgever (artikel S-5 CAO HBO). Een werknemer is niet verplicht deze bindend-adviesprocedure te volgen (HR 9 november 2001, NJ 2001, 692). Als hij echter voor deze procedure kiest, zal hij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in een procedure voor de civiele rechter, waarin hij vernietiging van het besluit vordert. [eiser] vordert in deze procedure een voorlopige voorziening. Stichting VHL heeft niet gesteld dat er voor de Commissie van Beroep HBO een voorlopige voorzieningenprocedure is, zodat de voorzieningenrechter ervan heeft uit te gaan dat die er niet is. Dat betekent dat [eiser] in deze procedure tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvankelijk is, ook voor zover het een voorlopige voorziening betreft naar aanleiding van het besluit van 10 november 2008.
4.4.  Stichting VHL heeft disciplinaire maatregelen tegen [eiser] getroffen vanwege zijn weigering mee te werken aan de detachering bij het IPC zoals door Stichting VHL voorgestaan. Voorshands is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] niet op onredelijke gronden heeft geweigerd om mee te werken aan zijn detachering bij het IPC.
De Adviescommissie Heroverweging personeel VHL is in haar advies van 4 december 2008 zeer kritisch geweest over de wijze waarop Stichting VHL bij besluit van 18 april 2007 [eiser] heeft ontheven van een gedeelte van zijn taken en waarop zij nadien is omgegaan met de belangen van [eiser]. [eiser] vreesde dat de detachering bij het IPC zou worden gebruikt als een exit-strategie, gezien de mededeling dat de detachering zou worden gebruikt als een oriëntering voor werk buiten Stichting VHL. Voorshands oordelend kan [eiser] onder deze omstandigheden niet worden verweten dat hij niet voetstoots heeft willen meewerken aan detachering bij het IPC. Dat brengt mee dat aannemelijk is dat het daarop genomen besluit tot het nemen van disciplinaire maatregelen geen stand zal houden.
4.5.  Het voorgaande brengt met zich mee dat het gedeelte van de vordering dat ziet op het uitbetalen van het ingehouden loon te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:265 lid 1 BW zal worden toegewezen. De onder punt 4 van het petitum gevorderde dwangsom kan niet worden toegewezen nu de wet het opleggen van een dwangsom ter zake de betaling van een geldsom uitsluit (artikel 611a lid 1 Rv).
4.6.  [eiser] vordert voorts veroordeling van Stichting VHL tot betaling van schadevergoeding voor geleden immateriële schade, onder meer bestaande uit het niet-naleven van procedurevoorschriften door Stichting VHL, de langdurige onzekerheid over zijn schorsing en reputatieschade.
De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de vordering tot een voorschot op schadevergoeding ten dele kan worden toegewezen. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat het aannemelijk is [eiser] immateriële schade heeft geleden door de besluiten van Stichting VHL, waaronder het afnemen van zijn taken, de schorsing en het inhouden van het loon, de lange periode voordat herziening van deze besluiten aan de orde is gekomen en de aantasting van zijn goede naam en eer. De voorzieningenrechter zal een bedrag van € 2.000,- als voorschot toewijzen.
4.7.  Het gevorderde onder punt 2 van het petitum heeft geen zelfstandige betekenis en zal daarom worden afgewezen.
Met betrekking tot het door [eiser] onder punt 6 van het petitum gevorderde verbod om een opvolger in zijn functie te benoemen, overweegt de voorzieningenrechter dat het voorshands voldoende duidelijk is dat Stichting VHL bereid is mee te werken aan de hervatting van de werkzaamheden door [eiser], zodat [eiser] belang bij dit onderdeel van de vordering mist en dit gedeelte van de vordering zal worden afgewezen.
4.8.  Stichting VHL zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding    €    85,44
- vast recht      254,00
- salaris advocaat    816,00
Totaal    €   1.155,44
5.  De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.  veroordeelt Stichting VHL om, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, de opgelegde schorsing d.d. 18 april 2007 op te heffen en [eiser] toe te laten tot de gebouwen van Stichting VHL en [eiser] zo veel als mogelijk de werkzaamheden te laten verrichten die [eiser] voorafgaand aan 18 april 2007 verrichtte,
5.2.  bepaalt dat Stichting VHL voor iedere dag dat zij in strijd geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft met naleving van het onder 5.1 bepaalde, aan [eiser] een dwangsom verbeurt van € 1.000,-, tot een maximum van € 100.000,-,
5.3.  veroordeelt Stichting VHL om aan [eiser] als schadevergoeding te betalen een bedrag van € 2.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding,
5.4.  veroordeelt Stichting VHL om aan [eiser] het achterstallige loon over de periode van 17 tot en met 21 november 2008 te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 lid 1 BW, te rekenen vanaf de gebruikelijke betaaldag tot aan de dag der algehele voldoening,
5.5.  veroordeelt Stichting VHL in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.155,44,
5.6.  verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.  wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B. de Jonge op 15 januari 2009.

 

 

Bel 0900-123 73 24 indien u vragen heeft over schorsing docent

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 


Intrekken
van ontslag

Wanneer de werknemer zijn ontslag aanvraagt moet de werkgever onderzoeken of deze aanvraag overeenkomt met de wil van de werknemer. Als uit het onderzoek blijkt dat de wil van de werknemer overeenstemt met de ontslagaanvraag kan de werknemer zijn ontslag niet meer intrekken. Zie hieronder de uitspraak van de kantonrechter te Zwolle.

Heeft u met betrekking tot ontslag intrekken vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mail ons.

 

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD sector kanton – locatie Zwolle zaaknr.: 459150 VV 09-59 datum : 17 september 2009 Vonnis in het kort geding van: [EISENDE PARTIJ], wonende te [woonplaats], eiseres, verder te noemen: ‘[eisende partij]’, gemachtigde mr. M.C. Zaal, advocaat te Amsterdam, tegen de stichting [GEDAAGDE PARTIJ], gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats], gedaagde, verder te noemen: ‘[gedaagde partij]’, gemachtigde mw. mr. F.J. Bloem-Timmermans, advocaat te Zwolle. De procedure De kantonrechter heeft kennisgenomen van: - het exploot d.d. 24 juli 2009 houdende een vordering tot het treffen van een voorziening bij voorraad met aangehechte producties en de bij de brieven van 24 en 27 augustus 2009 van de zijde van [gedaagde partij] ingezonden producties. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2009. Verschenen zijn: - [eisende partij], bijgestaan door mr. Zaal voormeld, en - namens [gedaagde partij] de heer [W], voorzitter van de raad van bestuur, de heer [O], hoofd financiële administratie, en mw. [P], personeelsfunctionaris, bijgestaan door mw. mr. Bloem-Timmermans voormeld. Bij de mondelinge behandeling is een minnelijke regeling beproefd, welke mogelijkheden na afloop van de behandeling verder zijn verkend. Bij brieven van 2 respectievelijk 4 september 2009 is meegedeeld dat een minnelijke regeling niet mogelijk is gebleken en hebben partijen om vonnis verzocht. Het geschil De vordering van [eisende partij] tot een voorlopige voorziening strekt ertoe dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot doorbetaling van salaris vanaf 15 juni 2009, tot wedertewerkstelling bij volledige arbeidsgeschiktheid op straffe van een dwangsom en tot betaling van wettelijke verhoging en wettelijke rente, een en ander onder veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten. [gedaagde partij] heeft de vorderingen bestreden en de afwijzing daarvan bepleit. De vaststaande feiten Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast. a. [eisende partij], geboren op [datum], is op [datum] bij [gedaagde partij] in dienst getreden in de functie van administratief medewerkster. Het laatst door haar verdiende salaris bedraagt € 1.305,45 bruto per maand exclusief emolumenten op basis van een aanstelling van 20 uur per week. b. Het functioneren van [eisende partij] is achtereenvolgens op 24 juli 2005, 17 oktober 2006, 13 augustus 2007 en 27 november 2008 als ‘goed’ tot ‘zeer goed’ beoordeeld. Van die gesprekken zijn verslagen opgemaakt, die telkens door [eisende partij] zijn ondertekend. c. In een gesprek van maandag 8 juni 2009 heeft [eisende partij] aan haar leidinggevende, de heer [O] voormeld, meegedeeld [gedaagde partij] te willen verlaten. [eisende partij] heeft een en ander schriftelijk bevestigd bij brief van 9 juni 2009, die luidt als volgt: ‘In ons gesprek op 8 juni jl. heb ik je laten weten dat ik [gedaagde partij] (...) wil verlaten. Ik zeg daarom onze arbeidsovereenkomst, met inachtneming van de opzegtermijn van 1 maand, op per 1 augustus 2009. Ik zal mij ervoor inspannen alle lopende zaken voor mijn vertrek af te handelen en mijn taken naar behoren over te dragen. Ik waardeer de ervaring die ik bij [gedaagde partij] heb opgedaan en ik bewaar prettige herinneringen aan de samenwerking met jou en mijn collega’s. Ik wens je succes met het zoeken van een nieuwe kandidaat. Met vriendelijke groet,’ d. Op woensdag 10 juni 2009 heeft [eisende partij] niet gewerkt. Op donderdag 11 juni 2009 is tussen [eisende partij] en [O] gesproken over een mogelijke laatste werkdag, waarbij [eisende partij] de datum van 2 juli 2009 heeft genoemd. Vrijdag 12 juni 2009 heeft [eisende partij] niet gewerkt. e. Op maandag 15 juni 2009 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] meegedeeld dat haar laatste werkdag donderdag 9 juli 2009 zou hebben te zijn. [eisende partij] heeft daarop het pand van [gedaagde partij] verlaten, onder achterlating van de toegangssleutel. De echtgenoot van [eisende partij] heeft haar die dag - 15 juni 2009 - telefonisch bij [gedaagde partij] ziek gemeld, welke ziekmelding niet door [gedaagde partij] is geaccepteerd. [eisende partij]’s echtgenoot heeft die ziekmelding bij brief van 16 juni 2009 bevestigd. f. Bij brief van 16 juni 2009 heeft [gedaagde partij] op de ziekmelding van [eisende partij] gereageerd - voor zover relevant: ‘In aansluiting op een gesprek van 8 juni jl. hebt u bij brief van 9 juni jl. de bestaande arbeids-overeenkomst opgezegd met ingang van 1 augustus a.s. Die opzegging is door ons aanvaard. (...) Op 9 juni hebt u (...) laten weten dat u graag per 2 juli weg wilde. (...) Op 11 juni hebt u [[O] voormeld] gezegd dat u op 2 juli gewoon weg zou zijn. (...) Ik stel vast dat u voordat u uw arbeidsovereenkomst met ons hebt opgezegd, hebt verzocht om de periode van 9 juli tot 1 augustus met vakantie te gaan. Dat verzoek van u is destijds ook gehonoreerd. Op 15 juni jl. (...) hebt u aangegeven dat u op 2 juli a.s. voor het laatst zou werken in plaats van op 9 juli, de dag voor uw eerder vastgestelde vakantie. (...) [O] heeft aangegeven dat niet te accepteren. Hij heeft dat standpunt gemotiveerd door aan te geven dat aldus onvoldoende tijd zou zijn voor een behoorlijke kennisoverdracht, (...). (...) [O] heeft u nog gevraagd of u in het kader van die overdracht tijdelijk meer uren zou kunnen gaan werken. U hebt laten weten dat dat niet kon. In het gesprek hebt u uitdrukkelijk aangegeven dat u op 2 juli zou vertrekken. U hebt gezegd dat u de kinderopvang reeds had opgezegd per 1 juli a.s. en dat u voor één week geen kinderopvang wenste te regelen. Toen duidelijk werd dat u wat ons betreft gewoon tot 9 juli zou moeten blijven werken, bent u opgestapt en (boos) vertrokken. U bent naar huis gegaan, hoewel het voor u een normale werkdag was. Na het gesprek heeft u de sleutel van het gebouw bij een collega ingeleverd met de mededeling: geeft die maar aan (...) ([O]) en ik ga naar huis. Vandaag hebben wij vernomen dat u in de organisatie eerder al op meerdere plaatsen kenbaar heeft gemaakt dat 2 juli a.s. uw laatste werkdag zou zijn. Na het gesprek van gisteren heeft uw man u telefonisch ziek gemeld bij (...) [O] met als reden dat u overspannen zou zijn. Later in de middag heeft uw man nogmaals gebeld en gesproken met (...) [O] en met (...) [W] (...).(...). [Uw man] sprak de verwachting uit dat u door de bedrijfsarts geoorloofd ziek gemeld zou worden, omdat ‘dat zo gaat bij medewerkers’. Als werkgever zouden wij daar niets aan kunnen veranderen, waardoor het ‘kat in het bakkie’ zou zijn voor u. In het licht van de (...) gang van zaken, komen wij tot de conclusie dat [u, toevoeging kantonrechter] hebt besloten om voortijdig per 2 juli te vertrekken en hebt geprobeerd om wat dat betreft uw zin door te drukken. Nu u gisteren na het gesprek bent opgestapt en de sleutel van het gebouw hebt ingeleverd, beschouwen we uw handelwijze als een ontslagname met onmiddellijke ingang. Dat betekent feitelijk dat gisteren de arbeidsovereenkomst (door u) is beëindigd. Voor het geval mocht blijken dat uw opstappen niet moet worden aangemerkt als een ontslag (met onmiddellijke ingang) uwerzijds, dan ontslaan wij u hierbij op staande voet met ingang van heden. Wij beschouwen uw opstappen als een werkweigering, ingegeven door het feit dat wij niet konden instemmen met een eerdere, feitelijke beëindiging van uw werkzaamheden per 2 juli a.s. Mocht blijken dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven, dan eindigt de arbeidsovereenkomst gegeven uw opzegging derhalve met ingang van 1 augustus a.s. (...)’ g. Bij brief van haar gemachtigde van 23 juni 2009 is - geparafraseerd - aangevoerd dat [eisende partij] wegens structureel overwerk zwaar oververmoeid is geraakt, dat zij in emotionele toestand op 8 juni 2009 heeft gezegd dat zij ontslag wilde nemen, dat zij op 9 juni 2009 psychisch geen weerstand heeft kunnen bieden aan [gedaagde partij]’ verzoek om een ontslagbrief te schrijven, dat [eisende partij] op 15 juni 2009 te horen kreeg dat haar laatste werkdag niet 2 doch 9 juli 2009 zou zijn en dat zij daarop in emotionele en overspannen toestand het kantoor van [gedaagde partij] heeft verlaten. Verder is aangevoerd dat [eisende partij] geen ontslag op staande voet heeft genomen en dat er geen sprake kan zijn van een rechtsgeldig door [gedaagde partij] gegeven ontslag op staande voet nu [eisende partij] overspannen is en geen werk heeft geweigerd, waarna de vernietigbaarheid van het ontslag is ingeroepen. Tot slot is aangevoerd dat [eisende partij] niet gehouden kan worden aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst tegen 1 augustus 2009 nu die opzegging voortkomt uit haar emotionele overspannenheid als gevolg van haar structurele overbelasting. De standpunten van partijen Op wat [eisende partij] aan haar vorderingen en [gedaagde partij] aan haar verweer ten grondslag hebben gelegd, zal, voor zover van belang, in het navolgende worden ingegaan. De beoordeling ontslag intrekken
1. De spoedeisendheid van de zaak is in voldoende mate komen vast te staan. 2. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of [gedaagde partij] gehouden is om vanaf 15 juni 2009 aan [eisende partij] loon te betalen, zoals zij vordert en [gedaagde partij] bestrijdt. 3. [gedaagde partij] heeft aan haar verweer aanvankelijk onder meer ten grondslag gelegd dat [eisende partij] op 15 juni 2009 zelf ontslag op staande voet heeft genomen en dat daarnaast de handelwijze van [eisende partij] een door [gedaagde partij] gegeven ontslag op staande voet rechtvaardigt. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] tijdens de mondelinge behandeling die verweren heeft laten varen, zodat aan het debat van partijen daarover voorbij kan worden gegaan. 4. [eisende partij]’s vordering tot doorbetaling van loon stoelt op de stelling dat zij vanaf 15 juni 2009 arbeidsongeschikt was als bedoeld in artikel 7:629 BW. Een dergelijke vordering is in het kader van een kort geding procedure alleen toewijsbaar als (ten minste) met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter, als het gaat om de periode vanaf 15 juni 2009, het bestaan van arbeidsongeschiktheid zal aannemen. 5. Nu partijen met elkaar van mening verschillen of [eisende partij] vanaf 15 juni 2009 al dan niet arbeidsgeschikt was, heeft de kantonrechter op grond van het bepaalde in artikel 7:629a BW - ambtshalve - te beoordelen of het ontbreken van een deskundigenoordeel van het UWV niet al aan een toewijzing van de voorlopige voorziening in de weg staat. Nu niet is gesteld of is gebleken dat [eisende partij] voldoende tijd heeft gehad om een dergelijk oordeel aan te vragen én te verkrijgen, staat het ontbreken van dat oordeel niet in de weg aan de ontvankelijkheid van haar loonvordering in een procedure als deze. Dit laat overigens onverlet dat een uitkomst van een dergelijke UWV-procedure node kan worden gemist. 6. Dat [eisende partij] vanaf 15 juni 2009 wegens ‘een emotioneel overspannen toestand’ niet (meer) in staat zou zijn geweest om haar werkzaamheden voor [gedaagde partij] te verrichten, zoals zij stelt, is niet nader medisch onderbouwd. [eisende partij] heeft immers geen medisch onderbouwde stukken gepresenteerd waaruit kan blijken dat [gedaagde partij]’ betwisting van haar arbeidsongeschiktheid voor onjuist moeten worden gehouden, zoals bijvoorbeeld door overlegging van een deskundigenoordeel als hiervoor bedoeld. Dat [eisende partij] ten tijde van de mondelinge behandeling - op doktersvoorschrift - een kalmeringsmiddel zou gebruiken, zoals zij stelt, biedt op zichzelf, zonder nadere medische onderbouwing, geen (voldoende) grond voor de conclusie dat zij vanaf 15 juni 2009 als volledig arbeidsongeschikt heeft te gelden. Voor een deskundigenonderzoek naar de door [eisende partij] gestelde en ervaren (psychische) klachten en of daardoor vanaf 15 juni 2009 sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid is in deze procedure geen plaats. De kantonrechter heeft dan ook vooralsnog onvoldoende reden om aan te nemen dat [eisende partij] op en vanaf 15 juni 2009 door ziekte als bedoeld in artikel 7:629 BW niet (meer) in staat was om voor [gedaagde partij] haar werkzaamheden te verrichten. 7. Gezien het voorgaande kan dan ook voorlopig niet tot de conclusie worden gekomen dat het niet verrichten van de werkzaamheden is gegrond op arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 7:629 BW. Voorts is gesteld noch gebleken dat het niet werken op basis van het bepaalde in artikel 7:628 BW voor rekening van [gedaagde partij] moeten komen, zodat - overeenkomstig de in artikel 7:627 BW neergelegde hoofdregel - [gedaagde partij] voor de tijd dat [eisende partij] haar werkzaamheden niet heeft verricht, geen loon aan haar is verschuldigd. 8. Wat betreft de gevorderde (voorwaardelijke) wedertewerkstelling en overigens de loon-vordering, voor zover die ziet op de periode vanaf 1 augustus, geldt het volgende. 8.1 Die vorderingen stoelen (mede) op de stelling dat de arbeidsovereenkomst op en na 1 augustus 2009 is blijven voortbestaan. Er zal dan ook - voorlopig - moet worden beoordeeld de vraag of de arbeidsovereenkomst is beëindigd als gevolg van de ontslagname van [eisende partij], zoals [gedaagde partij] stelt en [eisende partij] bestrijdt. 8.2 Bij de beoordeling van de door [eisende partij] ondertekende brief van 9 juni 2009 waarin zij haar opzegging van de arbeidsovereenkomst bevestigt, geldt als uitgangspunt dat de werkgever niet te snel mag aannemen dat de werknemer zelf ontslag neemt, gezien de ernstige gevolgen die een dergelijke vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor de werknemer als regel heeft. Dit betekent dat de wilsverklaring duidelijk en ondubbelzinnig op beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet zijn gericht en dat op de werkgever de plicht rust om te onderzoeken of de werknemer het ontslag daadwerkelijk wil. Indien aldus de werkgever zo’n verklaring te goeder trouw heeft opgevat als een gewilde verklaring, kan bij discrepantie tussen wil en verklaring geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met de verklaring overeenstemmende wil. Het kan echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn dat de werkgever, hoezeer hij de betreffende uitlatingen als een ontslagname heeft opgevat en mocht opvatten, de werknemer toch aan die ontslagname houdt, indien niet aan de zijde van de werkgever sprake is van relevant nadeel. 8.3 Tegen de achtergrond van de hiervoor ontwikkelde uitgangspunten, is de kantonrechter voorshands van oordeel dat in een bodemprocedure zal standhouden het betoog van [gedaagde partij] dat de arbeidsovereenkomst als gevolg van de ontslagname door [eisende partij] is geëindigd met ingang van 1 augustus 2009. 8.3.1 De brief van 9 juni 2009 is duidelijk en ondubbelzinnig gericht op het eindigen van de arbeidsovereenkomst. Onomstreden is dat de inhoud van die brief overeenstemt met wat [eisende partij] de vorige dag met haar leidinggevende [O] heeft besproken. 8.3.2 In wat partijen over en weer hebben aangevoerd kan niet worden afgeleid dat [eisende partij] ten tijde van het gesprek van 8 juni 2009, waarin zij haar ontslagname heeft meegedeeld, dan wel ten tijde van het opmaken van de brief van 9 juni 2009, waarmee zij haar ontslagname aan [gedaagde partij] heeft bevestigd, in een hevige gemoedsbeweging verkeerde. Allereerst biedt de tekst en de toon van die brief daarvoor geen aanknopingspunt. Voorts is in de overgelegde stukken - in het bijzonder de functioneringsverslagen en de verslagen van werkbesprekingen - geen ondersteuning te vinden voor [eisende partij]’s stelling dat zij te kampen had met grote werkdruk, in die zin dat zij structureel over moest werken en in haar werk niet werd ondersteund, en dat zij voor een en ander bij [gedaagde partij] geen gehoor vond. [gedaagde partij] heeft daarentegen een overzicht overgelegd van medewerkers die [eisende partij] hebben ondersteund tijdens de invoering van het nieuwe administratiesysteem. [gedaagde partij] heeft voorts overgelegd de verlofurenregistratie van [eisende partij] over de jaren 2007, 2008 en 2009. Daaruit blijkt enerzijds dat [eisende partij] een enkele keer overwerk heeft verricht die dan met (extra) verlof in tijd is gecompenseerd en anderzijds dat [eisende partij] jaarlijks (nagenoeg) het door haar opgebouwde verlof heeft opgenomen. Aan een en ander kan nog worden toegevoegd dat, zoals overwogen, iedere medische onderbouwing ontbreekt voor de gestelde arbeidsongeschiktheid wegens ‘een emotioneel overspannen toestand’. 8.3.3 Vast staat dat het overleg tussen partijen ná 9 juni 2009 gericht is geweest op het vaststellen van de laatste feitelijke werkdag van [eisende partij]. [gedaagde partij] stond daarbij voor dat [eisende partij] zou doorwerken tot en met de eerder gehonoreerde vakantie per 10 juli 2009 terwijl [eisende partij] beoogde om op 2 juli 2009 voor het laatst werkzaam te zijn. Vast staat dat partijen daarover op 15 juni 2009 geen overeenstemming hebben kunnen bereiken. 8.3.4 [eisende partij] heeft erkend dat zij (met haar man) zowel in Zwolle als in Amsterdam een woning aanhoudt, dat zij haar kinderen met ingang van het schooljaar 2009/2010 naar een school in Amsterdam laat gaan en dat haar kinderen sinds de zomer van 2009 in Amsterdam woonachtig zijn. [eisende partij] heeft daarbij niet weersproken wat [gedaagde partij] in haar brief van 16 juni 2009 heeft vastgelegd, te weten dat zij de kinderopvang (in Zwolle, naar de kantonrechter begrijpt) per 1 juli 2009 heeft beëindigd. 8.3.5 Uit het voorgaande kan voorshands in voldoende mate worden afgeleid dat [gedaagde partij] er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat [eisende partij] het ontslag daadwerkelijk wilde en dat [eisende partij] de draagwijdte en de consequenties van haar opzegging overzag. Voorts schuilt in het bovenstaande voldoende grond voor de voorlopige aanname dat het staken van de werkzaamheden op 15 juni 2009 niet voortkomt uit [eisende partij]’s opzegging van de arbeidsrelatie doch uit [gedaagde partij]’ weigering om de door [eisende partij] voorgestane laatste werkdag van 2 juli 2009 te accepteren. 8.3.6 Tot slot is er onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat [gedaagde partij]’ verlangen om [eisende partij] te houden aan haar ontslagname naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. 9. Nu met een en ander naar grote mate van waarschijnlijkheid niet te verwachten is dat een eventuele vordering van [eisende partij] in een bodemprocedure door de rechter gehonoreerd zal worden, is de gevorderde voorlopige voorziening in geen van haar onderdelen toewijsbaar. 10. [eisende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden verwezen, als nader in het dictum te melden. De beslissing in kort geding De kantonrechter: - weigert de verzochte voorlopige voorziening; - veroordeelt [eisende partij] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagde partij] begroot op € 400,00 voor salaris gemachtigde. Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 17 september 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.

Heeft u met betrekking tot ontslag intrekken vragen of rechtshulp nodig, dan kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900-123 73 24 (kantoortijden) of mail ons.

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 


Ontslag sex  ---> op het werk

Tijdens de vrijdagmiddagborrel op het werk ben ik betrapt in een compromiterende positie met mijn vrouwelijke collega in het archief. We hadden bij wijze van spreken 'de broek nog op de enkels''. Werkgever wil ons nu beiden ontslaan. Ik ben van mening dat dit niet zou mogen. Werkgever heeft toch zelf een verantwoordelijkheid? Zij schenken volop alcohol, waardoor de hormonen hard gaan stromen. Bovendien wie heeft er last van? Zowel ik en mijn collega zijn niet getrouwd.

Als er dan toch ontslagen moet worden, kan werkgever toch voor 1 van beiden kiezen ipv van beiden. Als 1 weg is, gebeurt het niet meer. Immers: Het takes two to tango? Graag uw mening over deze delicate kwestie.

Antwoord van Ontslagspecialist:
Mijns inziens hebben beide werknemers gehandeld in strijd met de wettelijke verplichting zich als 'goed werknemer' te gedragen. Dat kan uiteraard een ontslaggrond opleveren. Het vertrouwen in u beiden is immers weg. Uw werkgever zal de kwestie moeten voorleggen aan de kantonrechter of het UWV.

Ik ga ervan uit dat u beiden niet kan bogen op een langdurig dienstverband. Mijn inschatting is dat uw werkgever goede kans maakt dat het ontslag(en) zal worden gehonoreerd.
Uiteraard mag uw werkgever niet discrimineren in de sanctie.dat leidt ertoe dat beide werknemers dienen te worden ontslagen.
Reactie vraagsteller:
Dank voor uw vlotte deskundige antwoord. Ik begrijp eruit dat ik mijn 'genot' voortaan elders moet zoeken. Het zij zo.
Antwoord Beheerder:
Ik voel met u mee! , Voor meer ontslag sex vragen email ons.

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 


FNV wil einde aan misbruik ontslagregels

 

WOERDEN - FNV Bouw eist dat minister Donner onmiddellijk een einde maakt aan de mogelijkheid de regels rond collectief ontslag te omzeilen. Volgens de bouwbond omzeilen bouwbedrijven steeds vaker de Wet melding collectief ontslag door gebruik te maken van beëindigingsovereenkomsten.

 

Daarbij stemmen werknemers in met hun vertrek, vaak om niet de kans te verspelen later weer terug te keren bij het bedrijf. Door deze handelwijze worden vakbonden buitenspel gezet. "De Wet melding collectief ontslag schrijft voor dat werkgevers bij het ontslag van twintig werknemers of meer verplicht zijn vakbonden in te schakelen", licht Kerstens toe. "Door gebruik te maken van beëindigingsovereenkomsten kunnen ze onder dat getal blijven." Kerstens wil dat Donner de wet aanpast, ook al omdat de Europese regels niet stroken met de Nederlandse. Wanneer Donner geen gehoor geeft aan de eis van de bouwbond, stapt hij naar de rechter.

 

Bron: http://www.cobouw.nl/nieuws/2010/01/07/FNV-wil-einde-aan-misbruik-ontslagregels.html

 

Heeft u met betrekking tot collectief ontslag beeindigingsovereenkomst vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslag specialisten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mail ons.

 

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 

FNV wil einde aan misbruik ontslagregels

 

WOERDEN - FNV Bouw eist dat minister Donner onmiddellijk een einde maakt aan de mogelijkheid de regels rond collectief ontslag te omzeilen. Volgens de bouwbond omzeilen bouwbedrijven steeds vaker de Wet melding collectief ontslag door gebruik te maken van beëindigingsovereenkomsten.

 

Daarbij stemmen werknemers in met hun vertrek, vaak om niet de kans te verspelen later weer terug te keren bij het bedrijf. Door deze handelwijze worden vakbonden buitenspel gezet. "De Wet melding collectief ontslag schrijft voor dat werkgevers bij het ontslag van twintig werknemers of meer verplicht zijn vakbonden in te schakelen", licht Kerstens toe. "Door gebruik te maken van beëindigingsovereenkomsten kunnen ze onder dat getal blijven." Kerstens wil dat Donner de wet aanpast, ook al omdat de Europese regels niet stroken met de Nederlandse. Wanneer Donner geen gehoor geeft aan de eis van de bouwbond, stapt hij naar de rechter.

 

Bron: http://www.cobouw.nl/nieuws/2010/01/07/FNV-wil-einde-aan-misbruik-ontslagregels.html

 

Heeft u met betrekking tot collectief ontslag beeindigingsovereenkomst vragen of rechtshulp nodig, kunt u altijd bellen met onze ontslagspecialisten op 0900 – 123 73 24 (kantooruren) of mail ons.

 

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 
 
 

Welke mogelijkheden zijn er om financiële voorzieningen voor de oude dag te treffen? Ook dit is sterk afhankelijk van de rechtsvorm die u kiest. Let wel dat er aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan zoals het recht op zelfstandigenaftrek.

 

Pensioen bij niet-rechtspersonen

Bij rechtsvormen zonder rechtspersoonlijkheid zijn de volgende pensioenregelingen mogelijk:
  • deelname in bedrijfs- en beroepspensioenfonds (soms verplicht)
  • gebruikmaken van de mogelijkheid de stakingswinst aan te wenden voor de betaling van lijfrentepremies
  • vorming van een fiscale oudedagsreserve (FOR). Dit is alleen mogelijk als het vermogen van de onderneming minimaal gelijk is aan de gevormde reserve, en voor zover niet verplicht wordt deelgenomen aan een bedrijfs- of beroepspensioenfonds.
  • afsluiten van een lijfrenteverzekering
 

Pensioen bij rechtspersonen

Wanneer de ondernemer een B.V. heeft opgericht is het mogelijk dat de B.V. aan haar bestuurder/directeur een pensioen toezegt. Zo’n pensioenregeling kan op verschillende manieren worden uitgevoerd. De directeur/groot-aandeelhouder kan:
  • een pensioen in eigen beheer opbouwen
  • tot een bedrijfspensioenfonds toetreden
  • zijn pensioen onderbrengen bij een professionele verzekeraar
De pensioenproblematiek en met name de fiscale gevolgen van de gekozen regeling zijn bijzonder ingewikkeld. Een deskundig advies is onontbeerlijk.

 

Gebruikerswaardering: / 0
LaagsteHoogste 

de Arbeidsinspectie


16 oktober 2009

Werkgevers en werknemers die bij de Arbeidsinspectie iets willen melden of aanvragen, kunnen vanaf vandaag gemakkelijker hun weg vinden op de site van de inspectie. De site is vernieuwd. Zo is snel te zien hoe een klacht tegen de werkgever is in te dienen.

Ook is de informatie nu overzichtelijker gerangschikt. Zo zijn alle gegevens over een bepaalde bedrijfstak samengebracht. Verder zijn op de site bijvoorbeeld de regels te vinden voor het werken met buitenlandse arbeidskrachten. Het is ook mogelijk om een abonnement te nemen op het nieuws van de Arbeidsinspectie via rss-feeds.

De site van de Arbeidsinspectie is gekoppeld aan die van andere inspectiediensten. Hierdoor is het gemakkelijker uit te zoeken welke dienst een onderwerp onder de hoede heeft. Het adres is niet veranderd: www.arbeidsinspectie.nl

 

calculator